Der er in het Deens
Der er
Dit artikel maakt deel uit van de grammaticaboom voor Deens op Settemila Lingue.
In het kort
Met der er zeg je zowel ‘er is’ als ‘er zijn’: Der er en stol en Der er tre stole. Er verandert dus niet bij een meervoud. In een vraag draaien de twee woorden om (Er der …?), en voor het verleden gebruik je der var.
Overzicht
De constructie der er gebruik je om te melden dat iets of iemand bestaat, aanwezig is of zich ergens bevindt. Het Nederlandse equivalent is meestal er is of er zijn. Zo introduceer je vaak iets nieuws in het gesprek: Der er en café på hjørnet betekent ‘Er is een café op de hoek.’
Dit is basisgrammatica op A1-niveau en komt voortdurend voor: bij het beschrijven van een kamer of buurt, het vragen naar voorzieningen, het noemen van aantallen en het vertellen wat er gebeurt. Het woord der is hier een formeel onderwerp: een woord dat de onderwerpplaats vult zonder zelf de persoon of zaak te benoemen. De eigenlijke nieuwe informatie komt erna: en café, to problemer of mange mennesker.
Voor Nederlandstaligen voelt het patroon vertrouwd, maar er is één belangrijk verschil. In het Nederlands wissel je tussen is en zijn volgens enkelvoud en meervoud. In het Deens blijft de tegenwoordige tijd altijd er: Der er én mulighed én Der er flere muligheder.
Hoe het werkt
De basisvorm
De eenvoudigste bouwsteen is:
| Betekenis | Deens patroon | Voorbeeld |
|---|---|---|
| er is / er zijn | der + er + wat aanwezig is | Der er en fejl. |
| er is / er zijn op een plaats | der + er + wat aanwezig is + plaats | Der er en fejl i teksten. |
Er is de tegenwoordige tijd van være (‘zijn’). De vorm is voor alle personen en aantallen gelijk. Daarom hoef je bij deze constructie niet te kiezen tussen een enkelvouds- en meervoudsvorm.
| Aantal | Deens | Nederlands |
|---|---|---|
| enkelvoud | Der er en billet tilbage. | Er is nog één kaartje. |
| meervoud | Der er tre billetter tilbage. | Er zijn nog drie kaartjes. |
| niet telbaar | Der er kaffe i køkkenet. | Er is koffie in de keuken. |
Een niet-telbaar woord benoemt iets dat je normaal niet als losse exemplaren telt, zoals koffie, water of tijd. Ook daarbij blijft het patroon ongewijzigd.
Mededelende zinnen en de Deense tweede plaats
In een gewone mededeling staat het vervoegde werkwoord op de tweede zinsplaats. Dat heet de V2-regel: het werkwoord komt na het eerste zinsdeel, ook als dat eerste zinsdeel niet het onderwerp is.
- Der er en legeplads i nærheden. — Er is een speeltuin in de buurt.
- I nærheden er der en legeplads. — In de buurt is er een speeltuin.
- I dag er der mange gæster. — Vandaag zijn er veel gasten.
Begint de zin met een plaats- of tijdsbepaling, dan krijg je dus er der, niet der er: På kontoret er der roligt i dag. Het eerste er is het werkwoord; der is het formele onderwerp.
Vragen
Een ja-neevraag begint in het Deens met het werkwoord. Der er wordt daarom er der:
| Soort | Patroon | Voorbeeld |
|---|---|---|
| mededeling | der + er + zelfstandig naamwoord | Der er en bank her. |
| ja-neevraag | er + der + zelfstandig naamwoord? | Er der en bank her? |
| vraag met vraagwoord | vraagwoord + er + der …? | Hvor mange banker er der her? |
Een zelfstandig naamwoord is een woord voor een persoon, dier, ding of begrip, zoals bank, kat of problem. Bij vragen naar hoeveelheid staan hvor mange (‘hoeveel’ bij telbare zaken) of hvor meget (‘hoeveel’ bij niet-telbare zaken) vooraan:
- Hvor mange elever er der i klassen? — Hoeveel leerlingen zijn er in de klas?
- Hvor meget tid er der tilbage? — Hoeveel tijd is er nog over?
Ontkenning
In een gewone hoofdzin komt ikke na het vervoegde werkwoord:
- Der er ikke mælk i køleskabet. — Er is geen melk in de koelkast.
- Der er ikke nogen ledige borde. — Er zijn geen vrije tafels.
Het Nederlands gebruikt vaak geen, terwijl het Deens meestal ikke combineert met een onbepaald woord. Veelgebruikte patronen zijn:
| Deens | Natuurlijke Nederlandse weergave |
|---|---|
| ikke en eneste | geen enkele |
| ikke nogen | geen / niemand / niet enige, afhankelijk van de context |
| ikke noget | niets / geen |
| ikke nogen problemer | geen problemen |
In een bijzin — een zinsdeel dat niet zelfstandig de hoofdmededeling vormt — staat ikke vóór het werkwoord:
- Jeg tror, at der ikke er mere kaffe. — Ik denk dat er geen koffie meer is.
- Vi gik, fordi der ikke var plads. — We gingen weg omdat er geen plaats was.
Verleden en andere tijden
De verleden tijd van er is var. Ook var blijft gelijk bij enkelvoud en meervoud.
| Tijd of betekenis | Patroon | Voorbeeld |
|---|---|---|
| tegenwoordige tijd | der er | Der er en besked. |
| verleden tijd | der var | Der var to beskeder. |
| voltooid verleden tot nu toe | der har været | Der har været en fejl. |
| voltooid verleden vóór een ander moment | der havde været | Der havde været problemer før. |
| mogelijkheid | der kan være | Der kan være kø. |
| verwachting | der vil være | Der vil være ændringer. |
| waarschijnlijke ontwikkeling | der kommer til at være | Der kommer til at være travlt. |
Været is het voltooid deelwoord: de werkwoordsvorm die hier samen met har of havde staat. Voor A1 is der er / der var voldoende; de andere patronen kun je alvast leren herkennen.
Wanneer gebruik je niet der er?
Gebruik der er vooral om iets nieuws of nog niet nader bepaalds te introduceren. Als een bekende, bepaalde zaak al het onderwerp is, zet je die meestal rechtstreeks vooraan:
- Bogen er på bordet. — Het boek ligt op tafel.
- Min taske er i bilen. — Mijn tas ligt in de auto.
Der er bogen på bordet is dus niet de neutrale vertaling van ‘Het boek ligt op tafel’. In een heel andere, aanwijzende context kan Der er bogen! wel ‘Daar is het boek!’ betekenen. Dan betekent der letterlijk ‘daar’ en gaat het niet om dezelfde bestaansconstructie.
Voorbeelden in context
| Deens | Nederlands | Opmerking |
|---|---|---|
| Der er en kat i haven. | Er is een kat in de tuin. | Een nieuw, enkelvoudig element |
| Der er mange mennesker her. | Er zijn hier veel mensen. | Meervoud, maar nog steeds er |
| Der er vand på gulvet. | Er ligt water op de vloer. | Nederlands kiest natuurlijker voor ‘ligt’ |
| Der er et møde klokken ti. | Er is om tien uur een vergadering. | Gebeurtenis op een tijdstip |
| Er der en bank i nærheden? | Is er een bank in de buurt? | Werkwoord vooraan in de vraag |
| Hvor mange værelser er der i huset? | Hoeveel kamers zijn er in het huis? | Vraag naar een aantal |
| Der er ikke nogen bus efter midnat. | Er rijdt na middernacht geen bus. | Ontkenning; vrije Nederlandse vertaling |
| I dag er der gratis adgang. | Vandaag is de toegang gratis. | Tijd vooraan veroorzaakt er der |
| På stationen er der en lille kiosk. | Op het station is een kleine kiosk. | Plaats vooraan veroorzaakt er der |
| Der var engang en prinsesse. | Er was eens een prinses. | Vaste opening van een sprookje |
| Der var ingen ledige pladser. | Er waren geen vrije plaatsen. | Verleden tijd, meervoud |
| Der har været en misforståelse. | Er is een misverstand geweest. | Voltooide tijd |
| Der kan være glat på vejene. | Het kan glad zijn op de wegen. | Mogelijkheid; Nederlands gebruikt vaak ‘het’ |
| Der kommer til at være musik hele aftenen. | Er zal de hele avond muziek zijn. | Verwachte toekomstige situatie |
Let erop dat een goede vertaling niet altijd woord voor woord dezelfde werkwoorden gebruikt. Waar het Deens algemeen der er zegt, kiest het Nederlands soms ‘er ligt’, ‘er staat’, ‘er rijdt’ of zelfs een zin met ‘het’.
Veelvoorkomende fouten
Het werkwoord aan het meervoud aanpassen
- Onjuist: Der erer mange mennesker her.
- Juist: Der er mange mennesker her.
- Waarom: Anders dan Nederlands ‘er zijn’ heeft het Deens geen aparte meervoudsvorm in de tegenwoordige tijd. Er geldt voor elk aantal; erer bestaat niet.
De vraagvolgorde vergeten
- Onjuist: Der er en bank i nærheden?
- Juist: Er der en bank i nærheden?
- Waarom: Een neutrale ja-neevraag begint met het vervoegde werkwoord. Alleen met intonatie van een mededeling een vraag maken is niet het veilige basispatroon.
Nederlandse woordvolgorde na een tijdsbepaling kopiëren
- Onjuist: I dag der er mange gæster.
- Juist: I dag er der mange gæster.
- Waarom: Door de V2-regel staat er op de tweede zinsplaats. Daarna volgt der.
Ikke vóór het werkwoord zetten in een hoofdzin
- Onjuist: Der ikke er mere brød.
- Juist: Der er ikke mere brød.
- Waarom: In een gewone hoofdzin komt ikke na het vervoegde werkwoord. De volgorde der ikke er hoort wel in een bijzin: fordi der ikke er mere brød.
Der er gebruiken voor een al bekende zaak
- Onjuist: Der er min bil foran huset. — bedoeld als ‘Mijn auto staat voor het huis.’
- Juist: Min bil er foran huset.
- Waarom: Der er introduceert normaal iets nieuws. Een bekende, bepaalde zaak zoals min bil is meestal zelf het onderwerp.
Der en det verwarren
- Onjuist: Det er en café på hjørnet. — bedoeld als ‘Er is een café op de hoek.’
- Juist: Der er en café på hjørnet.
- Waarom: Der er meldt dat iets aanwezig is. Det er identificeert of beschrijft iets: Det er en café kan ‘Dat is een café’ betekenen.
Gebruiksnotities
Der er is neutraal en gewoon in zowel spreektaal als schrijftaal. Het kan concrete aanwezigheid uitdrukken (Der er nogen ved døren), maar ook het bestaan van een mogelijkheid of probleem (Der er en løsning; Der er et problem).
De Deense uitspraak kan in snelle spreektaal compacter klinken dan de spelling doet vermoeden. Blijf bij het schrijven altijd der er gebruiken. Leer de twee woorden als één herkenbaar ritme, maar onthoud voor de woordvolgorde dat er het werkwoord is en der het formele onderwerp.
Het plaatswoord der (‘daar’) ziet er precies hetzelfde uit. Vergelijk:
- Der er en stol i køkkenet. — Er staat een stoel in de keuken. (der vult de onderwerpplaats.)
- Stolen står der. — De stoel staat daar. (der wijst een plaats aan.)
De context en de positie in de zin maken meestal meteen duidelijk welke functie bedoeld is.
Verder dan de basis
De volgende bijzonderheden hoef je op A1 nog niet actief te beheersen, maar je zult ze later vaak tegenkomen.
Andere werkwoorden na der
De constructie is niet beperkt tot være. Vooral in beschrijvende taal kan der een nieuw onderwerp introduceren met een specifieker werkwoord:
- Der står en cykel foran huset. — Er staat een fiets voor het huis.
- Der ligger en nøgle på bordet. — Er ligt een sleutel op tafel.
- Der sidder en mand i venteværelset. — Er zit een man in de wachtkamer.
- Der kom en taxi. — Er kwam een taxi.
Dit sluit opvallend goed aan bij het Nederlands. Net als ‘er staat/ligt/zit’ vertelt het werkwoord iets over houding, plaats of beweging. Der er blijft de algemene, veilige keuze als dat detail niet belangrijk is.
Der findes voor ‘bestaan’
Der findes betekent dat iets bestaat of voorkomt, vaak als algemene vaststelling:
- Der findes mange danske dialekter. — Er bestaan veel Deense dialecten.
- Der findes ingen enkel løsning. — Er bestaat geen eenvoudige oplossing.
Bij een concrete situatie klinkt der er meestal natuurlijker: Der er en fejl i denne tekst. Met der findes leg je sterker de nadruk op het bestaan of voorkomen als categorie.
Bepaaldheid en presentatie
Na der er staat vaak een onbepaalde woordgroep: en mand, nogle bøger, mange muligheder. Dat is logisch, want de constructie brengt nieuwe informatie in het gesprek. Toch is dit geen absoluut verbod op alle bepaalde vormen. In een opsomming of antwoord kun je bijvoorbeeld horen: Hvem kan hjælpe? Der er måske Peter. — ‘Wie kan helpen? Misschien Peter.’ Zulke gevallen zijn contextgebonden. Voor neutrale beginnerszinnen is de vuistregel betrouwbaar: introduceer iets met der er, maar maak een al bekende zaak rechtstreeks tot onderwerp.
Bijzinnen met modale en voltooide vormen
Zodra er meer werkwoorden in de zin staan, blijft der vóór de werkwoordgroep staan; een zinsbijwoord zoals ikke of måske krijgt zijn normale plaats:
- Jeg ved, at der måske kan være forsinkelser. — Ik weet dat er misschien vertragingen kunnen zijn.
- De siger, at der ikke har været problemer. — Ze zeggen dat er geen problemen zijn geweest.
Hier zie je waarom het nuttig is der als formeel onderwerp te herkennen in plaats van de hele reeks der er altijd als een ondeelbaar blok te behandelen.
Oefentips
- Beschrijf één plek in drie tijden. Schrijf bijvoorbeeld vijf zinnen over je straat: Der er …, verander ze daarna in Der var … en maak er ten slotte vragen van met Er der …?.
- Oefen enkelvoud en meervoud naast elkaar. Zeg Der er en stol en meteen daarna Der er fire stole. Zo leer je af om vanuit het Nederlandse ‘is/zijn’ een ander Deens werkwoord te zoeken.
- Markeer het eerste zinsdeel. Zet afwisselend i dag, på kontoret en om sommeren vooraan en controleer of daarna er der volgt. Lees de zinnen hardop om het V2-ritme te automatiseren.
Verwante onderwerpen
- Vooraf: Het werkwoord være — leer de vormen er en var waarop deze constructie is gebouwd.
- Nuttige uitbreiding: Basiswoordvolgorde — verklaart waarom je na een tijd- of plaatsbepaling er der krijgt.
- Nuttige uitbreiding: Ontkenning met ikke — helpt bij het verschil tussen der er ikke en at der ikke er.
- Nuttige uitbreiding: Vragen vormen — oefen werkwoord-eerstvolgorde en vragen met hvor mange en hvor meget.
Vereiste kennis
Het werkwoord *være* in het DeensA1Meer A1-concepten
Oefen Der er in Deens met een gratis Settemila Lingue-account. We stellen Deens · A1 voor je in en genereren kaarten voor precies dit grammaticaconcept.
Dit concept oefenen