A2

Mensen en uiterlijk beschrijven in het Catalaans

Descriure Persones i Aspecte

Dit artikel maakt deel uit van de grammaticaboom voor Catalaans op Settemila Lingue.

Kort gezegd

Gebruik ser + bijvoeglijk naamwoord voor een kenmerk (És alt), tenir + lichaamskenmerk voor haar en ogen (Té els ulls blaus) en portar + zelfstandig naamwoord voor bijvoorbeeld een bril of kleding (Porta ulleres). Met estar beschrijf je vooral een toestand of zichtbaar resultaat: Està morena del sol. Het bijvoeglijk naamwoord past zich aan het geslacht en het aantal aan.

Overzicht

Iemand beschrijven vraagt in het Catalaans om meer dan een lijstje woorden voor lang, blond of jong. Je kiest ook een passend werkwoord. Voor een algemeen kenmerk gebruik je meestal ser (‘zijn’), voor een lichaamskenmerk tenir (‘hebben’) en voor iets wat iemand draagt portar (‘dragen’). Estar (‘zijn, zich bevinden’) komt in beeld wanneer het uiterlijk als een huidige toestand of als het resultaat van een verandering wordt voorgesteld.

Dit onderwerp hoort bij A2, maar bouwt voort op de basisregels voor bijvoeglijke naamwoorden. Een bijvoeglijk naamwoord is een woord dat een eigenschap noemt, zoals ‘lang’, ‘blauw’ of ‘krullend’. In het Catalaans verandert zo’n woord vaak mee met de persoon of zaak die het beschrijft. Daardoor zeg je un home alt, maar una dona alta.

Voor Nederlandstaligen zijn vooral drie punten wennen. Het Catalaans laat het persoonlijk voornaamwoord vaak weg, gebruikt bij haar en ogen doorgaans een bepaald lidwoord en maakt een betekenisvol onderscheid tussen ser en estar. De eenvoudige regels hieronder zijn een veilig begin; latere nuances staan apart in de verdieping.

Zo werkt het

Vier basispatronen

Patroon Functie Voorbeeld Betekenis
ser + bijvoeglijk naamwoord lichaamsbouw of algemeen kenmerk És alt i prim. Hij is lang en slank.
tenir + lidwoord + lichaamsdeel + bijvoeglijk naamwoord haar, ogen en andere lichaamskenmerken Té el cabell ros. Hij/zij heeft blond haar.
portar + zelfstandig naamwoord bril, baard, kapsel of kleding Porta ulleres. Hij/zij draagt een bril.
estar + bijvoeglijk naamwoord huidige toestand of zichtbaar resultaat Està molt morena del sol. Ze is erg bruin geworden door de zon.

Een zelfstandig naamwoord noemt een persoon, zaak of begrip, bijvoorbeeld cabell (‘haar’) of ulleres (‘bril’). Het onderwerp is degene over wie de zin iets zegt. In És alta blijkt uit de vrouwelijke vorm alta dat het onderwerp vrouwelijk is; uit de werkwoordsvorm alleen blijkt niet of het om ‘hij’ of ‘zij’ gaat. De situatie maakt dat meestal duidelijk.

De belangrijkste werkwoordsvormen

In beschrijvingen heb je vooral de tegenwoordige tijd nodig.

Persoon ser estar tenir portar
ik soc estic tinc porto
jij ets estàs tens portes
hij/zij/u (vostè) és està porta
wij som estem tenim portem
jullie sou esteu teniu porteu
zij/u (vostès) són estan tenen porten

Let op de accenten in és en . Zonder accent bestaan ook es en te, maar dat zijn andere woorden. Het accent is dus geen versiering.

Het Catalaans noemt het onderwerp minder vaak dan het Nederlands. Zowel Ella és alta als És alta is grammaticaal, maar zonder nadruk klinkt És alta vaak natuurlijker. Voeg ell of ella toe wanneer je contrasteert of onduidelijkheid voorkomt: Ella és alta, però ell és baix (‘Zij is lang, maar hij is klein’).

Overeenkomst van het bijvoeglijk naamwoord

Het bijvoeglijk naamwoord komt bij een gewone beschrijving meestal na het zelfstandig naamwoord en stemt ermee overeen in geslacht (mannelijk of vrouwelijk) en getal (enkelvoud of meervoud).

Betekenis Mannelijk enkelvoud Vrouwelijk enkelvoud Mannelijk meervoud Vrouwelijk meervoud
lang alt alta alts altes
klein van stuk baix baixa baixos baixes
slank prim prima prims primes
fors/dik gros grossa grossos grosses
blond ros rossa rossos rosses
donkerharig/gebruind morè morena morens morenes
blauw blau blava blaus blaves

Het woord waarmee het bijvoeglijk naamwoord overeenkomt, is doorslaggevend. In La noia té el cabell ros (‘Het meisje heeft blond haar’) blijft ros mannelijk enkelvoud, omdat het bij el cabell hoort, niet bij la noia. In Té els ulls blaus staat blaus in het mannelijk meervoud vanwege els ulls.

Sommige kleurwoorden hebben in mannelijk en vrouwelijk dezelfde vorm. Zo krijg je ulls marrons (‘bruine ogen’) en una jaqueta marró (‘een bruine jas’). Het meervoud van marró is wel marrons.

Haar, ogen en gezichtskenmerken met tenir

Voor haar en ogen is dit een bruikbaar model:

  • tenir el cabell + bijvoeglijk naamwoord: Té el cabell curt i arrissat.
  • tenir els ulls + kleur: Té els ulls verds.
  • tenir + kenmerk zonder lidwoord: Té barba i bigoti.

Waar het Nederlands simpelweg ‘blond haar’ of ‘blauwe ogen’ zegt, gebruikt het Catalaans in het vaste beschrijvingspatroon vaak el cabell en els ulls. Cabell staat hier gewoonlijk in het enkelvoud en verwijst naar het haar als geheel.

Handige tegenstellingen zijn llarg/curt (‘lang/kort’), llis/arrissat (‘steil/krullend’), clar/fosc (‘licht/donker’) en espès/fi (‘dik/dun’). Voor iemand zonder haar zeg je És calb of És calba.

Wat iemand draagt met portar

Portar wordt gebruikt voor zichtbare dingen die iemand aan of bij zich draagt:

  • Porta ulleres. — Hij/zij draagt een bril.
  • Porta una camisa blava. — Hij/zij draagt een blauw overhemd.
  • Porta el cabell recollit. — Hij/zij draagt het haar opgestoken.
  • Porta barba. — Hij draagt een baard.

Bij kleding staat meestal een lidwoord of ander bepalend woord: una camisa, un vestit, aquesta jaqueta. Bij ulleres en barba kan het lidwoord ontbreken wanneer je het kenmerk in algemene zin noemt.

Ser tegenover estar

De bekende beginnersregel ‘ser is blijvend, estar is tijdelijk’ helpt enigszins, maar is niet helemaal precies. Een kind kan groeien en toch zeg je op dit moment És baix. Het gaat dus niet alleen om de duur, maar ook om de manier waarop je het kenmerk voorstelt.

Gebruik als A2-basis:

  • ser voor een kenmerk waarmee je de persoon karakteriseert: És alta, prima i rossa;
  • estar voor een actuele toestand, een opvallend uiterlijk op dat moment of het resultaat van iets: Està pàl·lid, Està despentinada, Està morena del sol.

Soms zijn beide mogelijk, maar verandert het perspectief:

Met ser Met estar Verschil
És guapa. Avui està molt guapa. Ze is mooi als algemeen kenmerk / ze ziet er vandaag erg mooi uit.
És prim. Ara està molt prim. Hij is slank van bouw / hij is nu opvallend mager of slank.
És morena. Està morena del sol. Ze is donkerharig of heeft een donkere teint / ze is door de zon gebruind.

Voorbeelden in context

Catalaans Nederlands Toelichting
Té el cabell ros i els ulls blaus. Hij/zij heeft blond haar en blauwe ogen. Ros hoort bij cabell; blaus bij ulls.
És alt i prim. Hij is lang en slank. Twee algemene kenmerken met ser.
La seva germana és baixa i prima. Zijn/haar zus is klein van stuk en slank. Beide woorden zijn vrouwelijk enkelvoud.
Porta ulleres. Hij/zij draagt een bril. Een gewoon kenmerk met portar.
Està molt morena del sol. Ze is erg bruin geworden door de zon. Resultaat van blootstelling aan de zon.
Tinc els ulls verds i el cabell castany. Ik heb groene ogen en bruin haar. Haar staat als geheel in het enkelvoud.
Els bessons són alts i rossos. De tweelingbroers zijn lang en blond. Mannelijk meervoud.
Les dues germanes són altes i rosses. De twee zussen zijn lang en blond. Vrouwelijk meervoud.
Avui estàs una mica pàl·lida. Je ziet vandaag een beetje bleek. Huidige, zichtbare toestand.
El meu avi és calb i porta bigoti. Mijn opa is kaal en draagt een snor. Ser voor kaal; portar voor de snor als stijlkenmerk.
Porta el cabell llarg i llis. Hij/zij draagt het haar lang en steil. Beide bijvoeglijke naamwoorden horen bij cabell.
Aquell home té una barba grisa molt llarga. Die man heeft een erg lange grijze baard. Grisa en llarga stemmen af op barba.
Va vestida de negre i porta una jaqueta vermella. Ze is in het zwart gekleed en draagt een rode jas. Een natuurlijke beschrijving van kleding.
Sembla més jove amb els cabells curts. Hij/zij lijkt jonger met kort haar. Semblar drukt een indruk uit.
Fa un metre vuitanta i és de constitució robusta. Hij/zij is één meter tachtig en stevig gebouwd. Lengte kan met fer worden uitgedrukt.

Veelgemaakte fouten

Het bijvoeglijk naamwoord bij de persoon laten passen in plaats van bij het lichaamsdeel

  • Fout: La noia té el cabell rossa.
  • Goed: La noia té el cabell ros.
  • Waarom: Ros hoort bij het mannelijke enkelvoud el cabell. Dat het meisje vrouwelijk is, verandert die vorm niet.

Het meervoud bij ulls vergeten

  • Fout: Té els ulls blau.
  • Goed: Té els ulls blaus.
  • Waarom: Els ulls is meervoud, dus ook de kleur krijgt een meervoudsvorm.

Estar gebruiken voor ieder uiterlijk kenmerk

  • Fout: Està alt i ros.
  • Goed: És alt i ros.
  • Waarom: Lengte en haarkleur worden hier als karakteriserende eigenschappen genoemd. Daarvoor is ser de gewone keuze.

Ser gebruiken voor een zichtbaar resultaat

  • Fout: Avui és pàl·lida perquè està malalta.
  • Goed: Avui està pàl·lida perquè està malalta.
  • Waarom: Avui en de ziekte maken duidelijk dat het om haar huidige toestand gaat.

Het Nederlandse ‘klein’ letterlijk met petit weergeven

  • Fout: És petit wanneer je alleen bedoelt dat een volwassen persoon niet lang is.
  • Goed: És baix of És baixa.
  • Waarom: Petit betekent vooral klein qua formaat en kan bij een persoon ook jong of klein als geheel suggereren. Voor lichaamslengte is baix/baixa duidelijker.

Leeftijd met ser vormen

  • Fout: És trenta anys.
  • Goed: Té trenta anys.
  • Waarom: Anders dan het Nederlands gebruikt het Catalaans tenir (‘hebben’) bij leeftijd.

Gebruiksnuances

Een beschrijving kan feitelijk correct en toch onvriendelijk klinken. Woorden als gros/grossa (‘fors, dik’) en vooral gras/grassa (‘dik, vet’) zijn direct en kunnen kwetsend zijn. Als lichaamsbouw werkelijk relevant is, klinken de constitució robusta (‘stevig gebouwd’) of corpulent/corpulenta vaak neutraler. In veel situaties is het beter lichaamsgewicht helemaal niet te noemen.

Ook vell/vella (‘oud’) kan bot zijn wanneer het rechtstreeks over iemand gaat. Una persona gran is vaak een beleefdere manier om ‘een oudere persoon’ te zeggen. Let op: Nederlands ‘groot’ is geen betrouwbare aanwijzing voor gran. Voor een lang persoon gebruik je alt/alta; gran kan afhankelijk van de context ‘groot’, ‘volwassen’, ‘belangrijk’ of ‘oud’ betekenen.

Naast portar bestaat dur met de betekenis ‘dragen’: Du ulleres en Porta ulleres kunnen hetzelfde betekenen. Welke vorm je het vaakst hoort, verschilt per streek en spreker; beide behoren tot het Catalaans. Leer eerst portar, omdat je daarmee overal goed wordt begrepen, en herken dur wanneer je het tegenkomt.

Haarkleur en huidskleur kunnen uit de context blijken, maar woorden als morè/morena zijn niet altijd eenduidig. És morena kan verwijzen naar donker haar of een donkere teint. Wil je precies zijn, noem dan het lichaamskenmerk: Té el cabell fosc (‘Ze heeft donker haar’) of voeg de oorzaak toe: Està morena del sol (‘Ze is gebruind door de zon’).

Verdieping: verder dan de A2-basis

De volgende patronen hoef je op A2 nog niet allemaal actief te beheersen, maar ze maken latere beschrijvingen natuurlijker en nauwkeuriger.

Vergelijken zonder iemand vast te pinnen

Met més ... que (‘meer ... dan’) en tan ... com (‘even ... als’) kun je personen vergelijken:

  • La Marta és més alta que jo. — Marta is langer dan ik.
  • Nil és tan prim com el seu germà. — Nil is even slank als zijn broer.
  • És la persona més alta de la família. — Hij/zij is de langste persoon van de familie.

Ook hier blijft de overeenkomst gelden: La Marta és més alta, niet més alt.

Een indruk beschrijven

Niet ieder uiterlijk kenmerk is een vaststaand feit. Met semblar (‘lijken’) formuleer je voorzichtiger:

  • Sembla cansada. — Ze ziet er moe uit.
  • Amb barba sembla més gran. — Met een baard lijkt hij ouder.
  • Sembles molt jove. — Je ziet er erg jong uit.

Dat is vaak beleefder dan een stellige uitspraak. Een ander patroon is tenir aspecte de: Té aspecte d'esportista (‘Hij/zij ziet eruit als een sporter’).

Anar voor hoe iemand erbij loopt

In beschrijvingen van iemands huidige voorkomen kan anar (‘gaan’) met een bijvoeglijk naamwoord of een deelwoord staan. Een deelwoord is een werkwoordsvorm die hier als eigenschapswoord werkt, zoals ‘gekleed’ in het Nederlands.

  • Va ben vestit. — Hij is netjes gekleed.
  • Va ben vestida. — Zij is netjes gekleed.
  • Avui van molt elegants. — Ze zien er vandaag erg elegant uit.
  • Sempre va despentinat. — Hij loopt er altijd met ongekamd haar bij.

De vorm past opnieuw bij de beschreven persoon: vestit/vestida/vestits/vestides.

Personen herkenbaar maken in een langere zin

Een betrekkelijke bijzin — een zinsdeel met ‘die’ of ‘dat’ dat extra informatie geeft — helpt wanneer je iemand aanwijst:

  • És la noia que té els ulls verds. — Het is het meisje dat groene ogen heeft.
  • Busco l'home que porta una jaqueta vermella. — Ik zoek de man die een rode jas draagt.

Zo combineer je de basispatronen uit dit artikel zonder een onnatuurlijke opsomming van losse eigenschappen te maken.

Oefentips

  1. Werk in drie kolommen. Noteer vijf zinnen met ser, vijf met tenir en vijf met portar. Voeg daarna twee tijdelijke toestanden met estar toe. Zo leer je woordenschat meteen in het juiste patroon.
  2. Controleer van rechts naar links. Omcirkel in Té els ulls blaus eerst ulls en controleer daarna of blaus hetzelfde geslacht en aantal heeft. Doe hetzelfde met cabell ros en barba grisa.
  3. Beschrijf zonder namen te noemen. Kies een bekend personage en geef vier neutrale aanwijzingen. Laat iemand raden wie je bedoelt. Gebruik minstens één zin met ser, tenir en portar en vermijd onnodige oordelen over gewicht of aantrekkelijkheid.

Verwante onderwerpen

  • Eerst leren: Basisbijvoeglijke naamwoorden — voor de overeenkomst in geslacht en aantal die je in alt/alta/alts/altes en andere beschrijvingen nodig hebt.

Vereiste kennis

Bijvoeglijke naamwoorden in het CatalaansA1

Meer A2-concepten

Dit concept in andere talen

Vergelijk in alle talen

Oefen Descriure Persones i Aspecte in Catalaans met een gratis Settemila Lingue-account. We stellen Catalaans · A2 voor je in en genereren kaarten voor precies dit grammaticaconcept.

Dit concept oefenen