A1

Veelvoorkomende onregelmatige werkwoorden in het Zweeds

Vanliga Oregelbundna Verb

Dit artikel maakt deel uit van de grammaticaboom voor Zweeds op Settemila Lingue.

In het kort

Veel veelgebruikte Zweedse werkwoorden hebben een onregelmatige verleden tijd: gå – gick – gått, se – såg – sett en komma – kom – kommit. Leer elk werkwoord daarom als een reeks van vier vormen: infinitief, tegenwoordige tijd, verleden tijd en supinum. Dezelfde vorm geldt steeds voor alle personen: jag gick, du gick en de gick.

Overzicht

Onregelmatige werkwoorden volgen niet volledig de gewone Zweedse verbgroepen. Vaak verandert de klinker in de stam, zoals bij se – såg – sett, maar sommige werkwoorden hebben een heel eigen reeks, zoals vara – är – var – varit. Juist alledaagse werkwoorden als zijn, gaan, komen, zien, doen en zeggen behoren tot deze groep. Je ontmoet ze dus al vanaf A1.

Voor Nederlandstaligen is het basisidee herkenbaar. Ook het Nederlands heeft reeksen als gaan – ging – gegaan en zien – zag – gezien. De concrete klinkers en uitgangen komen echter niet altijd overeen. Het Zweedse lijkt in de infinitief op gaan, maar gick moet je apart leren. Rechtstreeks raden vanuit het Nederlands levert daarom vaak een vorm op die logisch klinkt, maar niet bestaat.

Er is ook een belangrijk gemak: een Zweeds werkwoord verandert niet met de persoon. Waar het Nederlands ik ben, jij bent en wij zijn heeft, gebruikt het Zweeds jag är, du är en vi är. Je hoeft dus geen aparte vorm per persoon te onthouden; een kleine reeks hoofdvormen is genoeg.

Zo werkt het

De vier vormen die je samen leert

Een Zweeds werkwoord wordt in woordenboeken en leermiddelen vaak met vier hoofdvormen weergegeven.

Vorm Functie Voorbeeld met Nederlandse betekenis
infinitief de basisvorm, vaak na att att gå (te) gaan
presens tegenwoordige tijd går ga, gaat, gaan
preteritum afgeronde handeling in het verleden gick ging, gingen
supinum vorm na har of hade gått gegaan in is/heeft gegaan

De infinitief is de onverbogen basisvorm van een werkwoord. Het preteritum is de gewone verleden tijd, bijvoorbeeld gick in “ging”. Het supinum is een speciale Zweedse werkwoordsvorm die je gebruikt na har (heeft/hebben) en hade (had/hadden). Bij har gått draagt har de tijd en geeft gått de handeling aan.

Voor een eerste gesprek zijn presens en preteritum vaak het belangrijkst. Toch is het verstandig het supinum meteen mee te leren. Anders ken je later misschien wel gick, maar moet je opnieuw opzoeken waarom “ik ben gegaan” jag har gått is.

Zes onmisbare reeksen

Infinitief Presens Preteritum Supinum Betekenis
vara är var varit zijn
går gick gått gaan, lopen
se ser såg sett zien
komma kommer kom kommit komen
göra gör gjorde gjort doen, maken
säga säger sa / sade sagt zeggen

Bij säga zijn zowel sa als sade correct. Sa is de gewone korte vorm in gesprekken en in veel informele teksten; sade komt vaker voor in verzorgde schrijftaal en verhalen.

Let erop dat “onregelmatig” niet betekent dat elke vorm onvoorspelbaar is. Komma heeft bijvoorbeeld het vrij herkenbare presens kommer, maar het preteritum kom en het supinum kommit moet je als vaste vormen kennen. Bij vara wijken de vormen juist sterk van elkaar af.

Sterke werkwoorden en andere onregelmatige vormen

Veel onregelmatige werkwoorden zijn sterke werkwoorden: hun verleden tijd wordt vooral gevormd door een klinkerwisseling in de stam, niet door een gewone uitgang als -de of -te. Vergelijk skriva – skrev – skrivit en dricka – drack – druckit. Er bestaan terugkerende patronen, maar die zijn niet betrouwbaar genoeg om een onbekende vorm altijd goed te raden.

Infinitief Presens Preteritum Supinum Betekenis
bli blir blev blivit worden
får fick fått krijgen; mogen
ta tar tog tagit nemen
ge ger gav gett geven
stå står stod stått staan
sitta sitter satt suttit zitten
ligga ligger låg legat liggen
skriva skriver skrev skrivit schrijven
äta äter åt ätit eten
dricka dricker drack druckit drinken
veta vet visste vetat weten

Zie zo’n tabel niet als elf losse rijtjes die je in één keer moet stampen. Begin met vara, , se, komma, göra en säga. Voeg daarna werkwoorden toe die je zelf vaak nodig hebt.

Preteritum of har + supinum?

Gebruik het preteritum voor een gebeurtenis die je als afgesloten onderdeel van het verleden presenteert, vooral met een duidelijk verleden tijdstip:

  • Jag såg filmen i går. — Ik zag de film gisteren.
  • Vi kom hem klockan elva. — We kwamen om elf uur thuis.

Gebruik har + supinum wanneer het resultaat of de ervaring nu relevant is en het precieze afgesloten tijdstip niet centraal staat:

  • Jag har sett filmen. — Ik heb de film gezien.
  • Vi har kommit hem. — We zijn thuisgekomen.

Hier kan een Nederlandse gewoonte misleiden. In gesproken Nederlands gebruiken we vaak de voltooide tijd bij een afgeronde gebeurtenis: “Ik heb hem gisteren gezien.” In standaard Zweeds past bij i går meestal het preteritum: Jag såg honom i går. Zeg dus niet automatisch har sett zodra de Nederlandse vertaling heb gezien bevat.

Voorbeelden in context

Zweeds Nederlands Toelichting
Jag går till jobbet varje dag. Ik ga elke dag naar mijn werk. Presens van .
Vi gick hem tidigt. We gingen vroeg naar huis. Afgesloten gebeurtenis.
Har du gått dit ensam? Ben je daar alleen heen gegaan? har + supinum gått.
Hon ser inte skärmen. Ze ziet het scherm niet. Presens van se.
Jag såg honom på stationen. Ik zag hem op het station. Preteritum såg.
Vi har sett den filmen. We hebben die film gezien. Ervaring zonder genoemd tijdstip.
De kommer klockan åtta. Ze komen om acht uur. Presens kan een afspraak aangeven.
Bussen kom för sent. De bus kwam te laat. Preteritum kom.
Paketet har kommit. Het pakket is aangekomen. Het huidige resultaat is belangrijk.
Vad gör du? Wat doe je? Presens gör.
Jag gjorde läxan i går. Ik maakte gisteren mijn huiswerk. Preteritum gjorde.
Har ni gjort klart? Hebben jullie het afgemaakt? Supinum gjort.
När jag var barn bodde jag här. Toen ik kind was, woonde ik hier. Verleden tijd van vara.
Hon sa att hon var trött. Ze zei dat ze moe was. De korte vorm sa is heel gewoon.
Jag har sagt nej. Ik heb nee gezegd. Supinum sagt.

Veelgemaakte fouten

Een gewone verleden-tijdsuitgang toevoegen

  • Niet: Vi gådde hem.
  • Wel: Vi gick hem.
  • Waarom: vormt het preteritum niet met -de. De vaste vorm is gick.

Hetzelfde probleem ontstaat bij vormen als komde of sägde. Gebruik kom en sa/sade.

Preteritum gebruiken na har

  • Niet: Jag har såg filmen.
  • Wel: Jag har sett filmen.
  • Waarom: Na har staat het supinum sett, niet het preteritum såg.

Een bruikbaar geheugensteuntje is: een losse gebeurtenis in het verleden kan såg hebben; na har hoort sett.

Een Nederlands voorvoegsel toevoegen

  • Niet: Hon har gegått hem.
  • Wel: Hon har gått hem.
  • Waarom: Het Zweedse supinum krijgt geen algemeen voorvoegsel dat overeenkomt met Nederlands ge-. Gått is al de volledige vorm.

Het werkwoord aan de persoon aanpassen

  • Niet: Han gårt till skolan.
  • Wel: Han går till skolan.
  • Waarom: De presensvorm is voor iedereen gelijk: jag går, han går, vi går. Een Nederlandse -t voor de derde persoon bestaat hier niet.

Preteritum en supinum verwisselen

  • Niet: I går har vi gått på museum, wanneer je alleen vertelt wat je gisteren deed.
  • Wel: I går gick vi på museum.
  • Waarom: Een duidelijk afgesloten tijdstip als i går gaat in het Zweeds normaal samen met het preteritum. Vi har gått past wanneer de ervaring of het resultaat nu centraal staat.

Vara door een Nederlandse vorm laten sturen

  • Niet: Jag är hemma i går.
  • Wel: Jag var hemma i går.
  • Waarom: Är is tegenwoordige tijd; var is verleden tijd. De vorm var geldt voor alle personen.

Gebruik en nuance

De meest voorkomende onregelmatige werkwoorden hebben vaak meerdere Nederlandse vertalingen. Göra kan zowel doen als maken betekenen: göra läxan is huiswerk maken en Vad gör du? is “Wat doe je?” kan “krijgen” betekenen, maar ook “mogen”: Jag fick ett brev betekent “Ik kreeg een brief”, terwijl Får jag gå? “Mag ik gaan?” betekent.

Ook komt niet precies overeen met Nederlands gaan. Voor vervoer gebruikt het Zweeds vaak een specifieker werkwoord: åka buss is met de bus gaan/reizen. duidt dikwijls op lopen of op een algemene beweging of toestand, zoals gå hem (naar huis gaan), gå på bio (naar de bioscoop gaan) en Hur går det? (Hoe gaat het?). Leer zulke combinaties als geheel.

Korte en langere nevenvormen kunnen iets over stijl zeggen. Bij säga is sa in hedendaagse omgangstaal zeer normaal; sade is niet fout, maar klinkt vaak verzorgder of verhalender. Bij ge kom je naast supinum gett ook givit tegen. Voor actief dagelijks taalgebruik is gett een veilige, veelvoorkomende keuze.

Verder dan de basis

De volgende punten hoef je op A1 nog niet volledig te beheersen, maar je zult ze later vaak tegenkomen.

Supinum is niet hetzelfde als een voltooid deelwoord

In het Nederlands noemen we geschreven een voltooid deelwoord. Het Zweeds maakt een duidelijker onderscheid. Na har of hade gebruik je het onveranderlijke supinum:

  • Hon har skrivit ett brev. — Ze heeft een brief geschreven.
  • De hade redan gått. — Ze waren al weggegaan.

Als de vorm als bijvoeglijke bepaling bij een zelfstandig naamwoord hoort, gebruikt het Zweeds een voltooid deelwoord dat zich kan aanpassen:

  • en skriven text — een geschreven tekst
  • ett skrivet brev — een geschreven brief
  • skrivna texter — geschreven teksten

Voor de basisregel is alleen dit nodig: na har en hade kies je skrivit, niet skriven of skrivet.

Werkwoordpartikels veranderen de hoofdvormen niet

Een partikelwerkwoord is een combinatie van een werkwoord en een klein woord dat samen een nieuwe of specifiekere betekenis vormen. Het onregelmatige werkwoord behoudt zijn eigen vormen:

Infinitief Preteritum Supinum Betekenis
gå ut gick ut gått ut uitgaan, naar buiten gaan
komma tillbaka kom tillbaka kommit tillbaka terugkomen
ta med tog med tagit med meenemen
se ut såg ut sett ut eruitzien

Je hoeft dus geen nieuw verleden-tijdspatroon te leren voor gå ut; je neemt de bekende reeks van mee.

Klinkerpatronen helpen vooral bij herkenning

Naarmate je meer Zweeds leest, zie je families als dricka – drack – druckit en springa – sprang – sprungit. Zulke overeenkomsten maken nieuwe vormen makkelijker herkenbaar. Gebruik ze echter niet als een harde productieregel: sitta – satt – suttit lijkt erop, maar heeft weer een andere klinker in de infinitief. Een woordenboekcontrole blijft verstandig wanneer je zelf een minder bekend sterk werkwoord wilt gebruiken.

Oefentips

  1. Leer reeksen, geen losse vormen. Schrijf op één kaart bijvoorbeeld se – ser – såg – sett en maak meteen twee zinnen: één met såg en één met har sett.
  2. Werk in kleine groepjes. Oefen eerst de zes kernwerkwoorden uit de hoofdtabel. Voeg pas daarna drie of vier nieuwe reeksen toe, liefst werkwoorden die in je eigen dagelijks leven nuttig zijn.
  3. Luister naar tijdsignalen. Markeer bij het lezen woorden als i går, förra veckan en redan. Vraag vervolgens waarom er gick of juist har gått staat. Zo leer je niet alleen de vorm, maar ook de keuze tussen de tijden.

Verwante onderwerpen

Vereiste kennis

Presens en werkwoordsgroepen in het ZweedsA1

Meer A1-concepten

Dit concept in andere talen

Vergelijk in alle talen

Oefen Vanliga Oregelbundna Verb in Zweeds met een gratis Settemila Lingue-account. We stellen Zweeds · A1 voor je in en genereren kaarten voor precies dit grammaticaconcept.

Dit concept oefenen