Complexe bijzinnen in het Nederlands
Complexe Bijzinnen
Dit artikel maakt deel uit van de grammaticaboom voor Nederlands op Settemila Lingue.
In het kort
In een complexe zin moet je niet alle werkwoorden naar één gezamenlijk einde schuiven. Bepaal per bijzin waar die begint en eindigt, en plaats de werkwoorden binnen die bijzin achteraan: Ik vraag me af [of hij weet [dat zij morgen komt]]. Bij betrekkelijke zinnen gebruik je voor personen onder meer met wie en voor zaken vaak waarmee; verbanden druk je ook uit met paren als hoe ... des te en zowel ... als.
Overzicht
Een bijzin is een zinsdeel dat grammaticaal afhankelijk is van een andere zin. In Ik weet dat Noor morgen komt is dat Noor morgen komt de bijzin. Op B2-niveau gaat het niet meer alleen om één bijzin na dat, omdat of als. Je combineert meerdere lagen, voegt een betrekkelijke zin in een naamwoordgroep in en gebruikt vaste woordparen om twee delen nauw met elkaar te verbinden.
De belangrijkste uitdaging is overzicht houden. Een lange zin kan verschillende persoonsvormen bevatten: werkwoordsvormen die veranderen met persoon en tijd, zoals weet, komt en zei. Toch hoort iedere persoonsvorm bij zijn eigen zin. Daarom is de eenvoudige leerregel „in een bijzin staan de werkwoorden achteraan” nuttig, maar niet volledig: een ingebedde bijzin kan ná het werkwoord van de omringende bijzin komen.
Complexe bijzinnen komen veel voor in nieuwsberichten, verslagen, zakelijke teksten en gesprekken waarin iemand een gedachte zorgvuldig opbouwt. Je hoeft geen zo lang mogelijke zinnen te maken. Het doel is dat de onderlinge relaties duidelijk blijven en dat de woordvolgorde in elke laag klopt.
Hoe het werkt
1. Zoek de afzonderlijke zinskernen
Een zinsdeelzin of ingebedde zin is een volledige bijzin die binnen een andere zin een functie heeft. Haakjes maken de lagen zichtbaar:
- Ik vraag me af [of hij weet [dat zij morgen komt]].
- De buurvrouw [met wie ik sprak] zei [dat ze gaat verhuizen].
- We vertrekken [zodra je hebt bevestigd [dat de betaling binnen is]].
Zoek in elke laag het onderwerp (wie of wat iets doet of is) en de bijbehorende werkwoorden:
| Laag | Onderwerp | Werkwoorden | Volledige eenheid |
|---|---|---|---|
| hoofdzin | ik | vraag ... af | Ik vraag me af ... |
| eerste bijzin | hij | weet | of hij weet ... |
| tweede bijzin | zij | komt | dat zij morgen komt |
In de binnenste bijzin staat komt achteraan. In of hij weet dat zij morgen komt staat weet echter vóór de volledige dat-zin. Dat is geen overtreding van de regel. De dat-zin is de aanvulling bij weet en mag als een zwaar zinsdeel achter het werkwoord staan. Vergelijk:
- natuurlijk: Ik denk dat hij begrijpt dat we haast hebben.
- mogelijk maar zwaarder: Ik denk dat hij dat we haast hebben begrijpt.
De eerste vorm is in gewoon Nederlands veel gebruikelijker. De praktische regel is dus: behandel iedere ingeleide bijzin als een eigen blok; verwacht niet dat werkelijk alle werkwoorden van de hele zin pas op het allerlaatst komen.
2. Zet de werkwoordgroep binnen een bijzin achteraan
In een hoofdzin staat de persoonsvorm doorgaans op de tweede plaats: Mila heeft het rapport gelezen. Na een onderschikkend voegwoord, een woord dat een afhankelijke zin inleidt, komt de werkwoordgroep aan het einde van die bijzin.
| Soort | Patroon | Voorbeeld |
|---|---|---|
| één werkwoord | voegwoord + onderwerp + rest + persoonsvorm | omdat Mila het rapport leest |
| modaal werkwoord | voegwoord + onderwerp + rest + persoonsvorm + infinitief | omdat Mila het rapport moet lezen |
| voltooide tijd | voegwoord + onderwerp + rest + hulpwerkwoord + deelwoord | omdat Mila het rapport heeft gelezen |
| scheidbaar werkwoord | voegwoord + onderwerp + rest + aaneengesloten werkwoord | omdat Mila hem opbelt |
Een infinitief is de onverbogen vorm, zoals lezen of komen. Een voltooid deelwoord is de vorm in een voltooide tijd, zoals gelezen of gekomen. Bij de voltooide tijd zijn vaak twee volgordes mogelijk:
- omdat Mila het rapport heeft gelezen
- omdat Mila het rapport gelezen heeft
Beide zijn standaardtaal. Gewoonte, ritme en regio beïnvloeden welke volgorde iemand kiest. Kies tijdens het oefenen één natuurlijke volgorde, maar leer beide herkennen.
Bij drie of meer werkwoorden wordt het cluster lastiger:
- Ik weet dat hij morgen zal moeten werken.
- Ze zei dat ze de afspraak had willen verzetten.
- We begrijpen waarom hij niet heeft kunnen komen.
In de laatste vorm verschijnt kunnen als infinitief, niet als voltooid deelwoord. Dit heet de vervangende infinitief: na een modaal werkwoord of een vergelijkbaar werkwoord staat in zo'n cluster vaak een infinitief waar je misschien een deelwoord verwacht. Je zegt dus omdat hij heeft moeten werken, niet omdat hij gemoeten heeft werken.
3. Betrekkelijke zinnen met een voorzetsel
Een betrekkelijke zin geeft extra informatie over een eerder genoemd woord, het antecedent (het woord waarnaar de bijzin terugwijst). Zonder voorzetsel gebruik je meestal die bij een de-woord of meervoud en dat bij een enkelvoudig het-woord: de collega die belt, het plan dat werkt.
Als het werkwoord of de uitdrukking een voorzetsel vraagt, verandert de keuze:
| Waarnaar verwijs je? | Gebruik | Voorbeeld |
|---|---|---|
| een persoon | voorzetsel + wie | de arts met wie ik sprak |
| een zaak of begrip | waar + voorzetsel | het voorstel waarover we stemden |
| een plaats, in plaatselijke betekenis | vaak waar | de kamer waar we vergaderen |
Voor personen is wie onafhankelijk van de of het: de man aan wie, het kind voor wie, de mensen met wie. Het voorzetsel wordt bepaald door het werkwoord of de betekenis: je praten met iemand, wachten op iemand en vertrouwen op iemand.
Bij zaken vormt waar meestal één woord met het voorzetsel:
- het gereedschap waarmee ik werk
- de beslissing waarover zij twijfelt
- het doel waarnaar we streven
- de voorwaarden waaraan je moet voldoen
In alledaagse taal kan het voorzetsel later in de betrekkelijke zin staan: het onderwerp waar we het over hadden. De aaneengeschreven vorm waarover we het hadden is compacter. Gebruik niet met dat of over die als betrekkelijk verbindingsmiddel: het mes waarmee ik snijd, niet het mes met dat ik snijd.
4. Hoe ... hoe en hoe ... des te
Met deze correlatieve constructies — twee vaste delen die samen een verband uitdrukken — laat je zien dat twee veranderingen met elkaar samenhangen. Na het eerste hoe komt een vergrotende trap, zoals meer, langer of duurder.
| Patroon | Voorbeeld | Karakter |
|---|---|---|
| hoe + vergrotende trap, hoe + vergrotende trap | Hoe vaker je oefent, hoe makkelijker het wordt. | heel gewoon en neutraal |
| hoe + vergrotende trap, des te + vergrotende trap | Hoe vaker je oefent, des te makkelijker wordt het. | nadrukkelijker, vaak verzorgd of formeel |
| verkorte vorm | Hoe eerder, hoe beter. | geen werkwoord nodig als de betekenis duidelijk is |
Let op de woordvolgorde. Het eerste deel gedraagt zich als een bijzin: hoe vaker je oefent. In een volledig tweede deel staat de vergrotende uitdrukking vooraan en volgt meestal omkering van persoonsvorm en onderwerp: des te makkelijker wordt het. Bij hoe ... hoe hoor je ook hoe makkelijker het wordt. Vooral in langere zinnen is die laatste volgorde vaak rustig en duidelijk.
Des te schrijf je als twee woorden. Deste is geen standaardspelling.
5. Zowel ... als
Zowel ... als verbindt twee gelijksoortige elementen en benadrukt dat beide gelden. De delen moeten grammaticaal zo veel mogelijk parallel zijn:
- twee onderwerpen: Zowel Amir als Lotte heeft gereageerd.
- twee lijdende voorwerpen (wie of wat de handeling ondergaat): We bespreken zowel de planning als het budget.
- twee bepalingen: De cursus is zowel online als op locatie beschikbaar.
- twee werkwoordgroepen: Zij kan zowel goed luisteren als helder uitleggen.
Bij twee enkelvoudige onderwerpen komt zowel enkelvoud als meervoud voor: Zowel Amir als Lotte heeft gereageerd legt de nadruk op ieder afzonderlijk; Zowel Amir als Lotte hebben gereageerd behandelt hen sterker als een gezamenlijke groep. In veel hedendaagse contexten klinkt het meervoud vanzelfsprekend. Volg bij formeel schrijven de stijlafspraak van je organisatie en houd de gekozen interpretatie consequent vol.
Zet zowel direct vóór het eerste deel en als direct vóór het tweede. Zo ziet de lezer meteen welke elementen bij elkaar horen.
Voorbeelden in context
| Nederlands | Betekenis in eenvoudiger Nederlands | Opmerking |
|---|---|---|
| Ik vraag me af of hij weet dat zij morgen komt. | Ik weet niet of hij van haar komst op de hoogte is. | Twee ingebedde bijzinnen |
| De man met wie ik sprak, zei dat de trein niet meer reed. | Ik sprak met een man; hij vertelde dat de trein was uitgevallen. | met wie voor een persoon plus een dat-zin |
| Ze vermoedt dat de kandidaat die we gisteren hebben gesproken geschikt is. | Volgens haar is de kandidaat van gisteren geschikt. | Betrekkelijke zin binnen een dat-zin |
| We vertrekken zodra je hebt bevestigd dat de betaling binnen is. | Eerst bevestig je de betaling; daarna gaan we weg. | Een dat-zin na het werkwoord van de eerste bijzin |
| Het project waaraan zij werkt, loopt meer vertraging op dan verwacht. | Haar project is later klaar dan gepland. | waaraan verwijst naar een zaak |
| Dit is het onderwerp waarover de commissie morgen zal moeten beslissen. | De commissie moet hierover morgen een besluit nemen. | Voorzetselbijwoord en drie werkwoorden |
| De collega op wie ik had gerekend, bleek ziek te zijn. | Ik verwachtte hulp van die collega, maar die was ziek. | rekenen op bepaalt op wie |
| Hoe meer je leert, des te beter begrijp je hoe het systeem werkt. | Meer leren zorgt voor meer begrip. | Correlatie met een extra ingebedde vraagzin |
| Hoe langer de vergadering duurt, hoe ongeduldiger iedereen wordt. | Het ongeduld neemt toe met de duur van de vergadering. | hoe ... hoe |
| Hoe eerder, hoe beter. | Het vroegste moment heeft de voorkeur. | Verkorte constructie |
| Zowel hij als zij is gekomen. | Ieder van de twee is gekomen. | Enkelvoud benadrukt de afzonderlijke personen |
| Zowel de docent als de cursisten hebben extra voorbeelden aangeleverd. | De docent en de cursisten leverden allebei voorbeelden aan. | Meervoud bij een gezamenlijke groep |
| Ze zei dat ze de afspraak had willen verzetten omdat ze langer moest werken. | Door haar werk wilde ze een andere afspraak maken. | Twee bijzinnen en een werkwoordcluster |
Veelgemaakte fouten
Alle werkwoorden naar het einde van de volledige zin schuiven
- Onjuist of zeer onnatuurlijk: Ik vraag me af of hij dat zij morgen komt weet.
- Juist: Ik vraag me af of hij weet dat zij morgen komt.
- Waarom: De binnenste dat-zin vormt een eigen blok en staat gewoonlijk na weet. Bouw de zin laag voor laag op.
De hoofdzinvolgorde in een bijzin houden
- Onjuist: Ze zegt dat morgen komt haar broer.
- Juist: Ze zegt dat haar broer morgen komt.
- Waarom: In de dat-zin staat het onderwerp vóór de rest en de persoonsvorm achteraan.
Die of dat na een voorzetsel gebruiken
- Onjuist: de vrouw met die ik samenwerk; het plan over dat we praten
- Juist: de vrouw met wie ik samenwerk; het plan waarover we praten
- Waarom: Gebruik bij personen voorzetsel + wie en bij zaken meestal waar + voorzetsel.
Het voorzetsel kiezen op basis van de vertaling
- Onjuist: de collega aan wie ik wacht
- Juist: de collega op wie ik wacht
- Waarom: Het Nederlandse werkwoord bepaalt de combinatie: wachten op, praten met, denken aan en rekenen op. Leer werkwoord en voorzetsel samen.
Deste als één woord schrijven
- Onjuist: Hoe meer je leest, deste groter wordt je woordenschat.
- Juist: Hoe meer je leest, des te groter wordt je woordenschat.
- Waarom: Des te bestaat uit twee woorden. Na des te groter volgt hier omkering: wordt je woordenschat.
Ongelijke delen met zowel ... als verbinden
- Onhandig: De functie vraagt zowel ervaring als dat je flexibel bent.
- Beter: De functie vraagt zowel ervaring als flexibiliteit.
- Ook goed: Voor deze functie moet je zowel ervaring hebben als flexibel zijn.
- Waarom: Twee zelfstandige naamwoorden of twee overeenkomstig gebouwde werkwoordgroepen zijn sneller te begrijpen.
Gebruiksnotities
In gesproken Nederlands kiezen mensen vaak een lossere constructie: de persoon waar ik mee sprak en het onderwerp waar we het over hadden. Vooral bij personen geldt met wie ik sprak als verzorgd en compact, maar waar ik mee sprak is in informele gesprekken heel gewoon. Bij zaken zijn vormen als waarmee en waarover ook in neutrale spreektaal normaal.
Lange inbeddingen zijn grammaticaal mogelijk, maar niet altijd prettig leesbaar. Een zin als De manager zei dat de klant verwachtte dat wij zouden bevestigen dat de levering vrijdag aankomt bevat drie lagen. In een e-mail kun je beter een punt zetten: De manager sprak over de verwachting van de klant. Wij moeten bevestigen dat de levering vrijdag aankomt. Goede stijl betekent niet dat je zo veel mogelijk bijzinnen stapelt.
Komma's helpen de structuur zichtbaar te maken. Een niet-beperkende betrekkelijke zin — extra informatie die niet nodig is om de bedoelde persoon of zaak te herkennen — staat tussen komma's: Mijn buurman, met wie ik vaak wandel, verhuist. Een beperkende betrekkelijke zin kiest juist welke persoon bedoeld wordt en krijgt meestal geen komma's: De buurman met wie ik vaak wandel verhuist. Bij een korte bijzin is een komma tussen hoofdzin en bijzin niet altijd nodig; zet er wel een als dat de leesbaarheid duidelijk verbetert.
De volgorde van werkwoorden varieert binnen de standaardtaal. Zowel dat hij het gezegd heeft als dat hij het heeft gezegd is correct. Beschouw een andere volgorde dus niet automatisch als fout. Let vooral op welke werkwoorden samen één cluster vormen en of de zin zonder hapering te begrijpen is.
Verder dan de basis
Voorzetselbijwoorden kunnen gesplitst worden
Een vorm als waarover kan in de zin uiteen komen te staan: Waar heb je het over? In een betrekkelijke zin ontstaat bijvoorbeeld het probleem waar niemand iets aan kon doen. Het losse waar staat vooraan, terwijl aan bij doen blijft. De compacte variant is niet altijd mogelijk met precies dezelfde overige woorden; leer daarom complete, natuurlijke patronen in plaats van alleen losse combinaties.
Bij formele teksten vermijd je soms een reeks zware waar-vormen door de zin te herschrijven:
- zwaar: de regeling op grond waarvan de aanvraag wordt beoordeeld
- vaak duidelijker: de regeling die als basis dient voor de beoordeling van de aanvraag
De eerste vorm is correct en gebruikelijk in juridische of bestuurlijke taal. De tweede is voor een algemeen publiek doorgaans makkelijker.
Beknopte bijzinnen hebben geen uitgesproken onderwerp
Je kunt informatie compacter maken met een infinitiefgroep:
- Na het dossier te hebben gelezen, stelde de commissie vragen.
- Zonder de gevolgen te overwegen, nam hij een besluit.
Het verzwegen onderwerp moet logisch hetzelfde zijn als het onderwerp van de hoofdzin. In het eerste voorbeeld is het de commissie die het dossier heeft gelezen. Een zin als Na het dossier te hebben gelezen, bleken er nog vragen te zijn is minder zorgvuldig, omdat niet duidelijk staat wie las.
Inbedding kan dubbelzinnig worden
In Sara zei tegen Noor dat ze te laat was kan ze naar Sara of Noor verwijzen. De grammatica lost dat niet op. Herhaal de naam, kies een zelfstandig naamwoord of splits de zin:
- Sara zei tegen Noor: „Je bent te laat.”
- Sara vertelde Noor dat Sara zelf te laat was.
Ook een betrekkelijke zin kan verkeerd lijken aan te sluiten als hij te ver van zijn antecedent staat. Zet hem liefst direct achter het woord waarop hij betrekking heeft: Ik stuurde het rapport dat gisteren is goedgekeurd naar de directeur, niet een volgorde waarin onduidelijk wordt of de directeur of het rapport is goedgekeurd.
Correlatieve paren vragen om betekenis én balans
Naast hoe ... des te en zowel ... als bestaan paren als niet alleen ... maar ook en enerzijds ... anderzijds. Ze werken het best als beide helften dezelfde grammaticale vorm hebben:
- Zij is niet alleen deskundig, maar ook geduldig.
- Enerzijds bespaart het plan geld, anderzijds kost de uitvoering tijd.
Te veel van zulke paren in één zin maakt de structuur zwaar. Gebruik ze om een echt tweedelig verband zichtbaar te maken, niet alleen als versiering.
Oefentips
- Werk met haakjes. Neem een lange zin uit een nieuwsartikel, omcirkel elk voegwoord en zet iedere bijzin tussen haakjes. Onderstreep daarna per laag het onderwerp en de werkwoorden.
- Bouw vanuit korte zinnen. Begin met Ik sprak met een man. De man werkt hier. Hij zei dat het kantoor sluit. Combineer dit stap voor stap tot De man met wie ik sprak, zei dat het kantoor sluit. Controleer na elke stap de woordvolgorde.
- Maak reeksen met vaste patronen. Noteer vijf combinaties met persoon en zaak: met wie/waarmee, op wie/waarop, aan wie/waaraan. Maak daarna drie paren met hoe ... hoe en drie evenwichtige zinnen met zowel ... als.
Verwante onderwerpen
- Vereiste voorkennis: Onderschikkende voegwoorden — voor eenvoudige bijzinnen met dat, omdat, als, hoewel en andere inleiders.