C1

Pronominale Werkwoorden in het Italiaans

Verbi Pronominali

Overzicht

Pronominale werkwoorden (verbi pronominali) zijn werkwoorden die altijd samengaan met een of meer pronomina die de betekenis wezenlijk veranderen. De bekendste zijn farcela (het voor elkaar krijgen), andarsene (weggaan), cavarsela (er goed uitkomen), avercela con qualcuno (het op iemand gemunt hebben).

Ze zijn niet hetzelfde als reflexieve werkwoorden — bij pronominale werkwoorden zijn de pronomina onlosmakelijk verbonden met het werkwoord en bepalen ze de specifieke betekenis.

Hoe het werkt

Wat zijn pronominale werkwoorden?

Een pronominaal werkwoord bestaat uit een basistijdswerkwoord + een of meer vaste pronomina die samen een nieuwe betekenis vormen:

Pronominaal werkwoord Basis Pronomina Betekenis
farcela fare ci + la het voor elkaar krijgen
andarsene andare si + ne weggaan, vertrekken
cavarsela cavare si + la er goed uitkomen
avercela con avere ci + la het op iemand gemunt hebben
intendersene di intendere si + ne verstand hebben van
passarsela passare si + la het er van af brengen (in leven)
smetterla smettere la ophouden, stoppen met
vedersela vedere si + la het hoofd bieden aan
sbrigarsela sbrigare si + la het afhandelen

Verbuiging: farcela

Farcela = het voor elkaar krijgen, het redden

Persoon Presens Passato prossimo
io ce la faccio ce l'ho fatta
tu ce la fai ce l'hai fatta
lui/lei ce la fa ce l'ha fatta
noi ce la facciamo ce l'abbiamo fatta
voi ce la fate ce l'avete fatta
loro ce la fanno ce l'hanno fatta
  • Ce la faccio! — Ik red het! / Ik krijg het voor elkaar!
  • Non ce la faccio più. — Ik kan niet meer. / Ik trek het niet meer.
  • Ce l'hai fatta! — Je hebt het gehaald!

Verbuiging: andarsene

Andarsene = weggaan (met nadruk op het verlaten van de plek)

Persoon Presens Passato prossimo
io me ne vado me ne sono andato/a
tu te ne vai te ne sei andato/a
lui/lei se ne va se ne è andato/a
noi ce ne andiamo ce ne siamo andati/e
voi ve ne andate ve ne siete andati/e
loro se ne vanno se ne sono andati/e
  • Me ne vado, ciao! — Ik ga weg, doei!
  • Se ne è andato senza salutare. — Hij is weggegaan zonder te groeten.

Verbuiging: cavarsela

Cavarsela = er goed uitkomen, het klaarspelen

Persoon Presens Passato prossimo
io me la cavo me la sono cavata/o
tu te la cavi te la sei cavata/o
lui/lei se la cava se l'è cavata/o
noi ce la caviamo ce la siamo cavati/e
voi ve la cavate ve la siete cavati/e
loro se la cavano se la sono cavati/e
  • Se la cava bene con l'italiano. — Ze doet het goed in het Italiaans.
  • Come te la cavi? — Hoe red je je? / Hoe gaat het?

Avercela con qualcuno

Avercela con = het op iemand gemunt hebben

  • Ce l'ha con me. — Hij heeft het op mij gemunt.
  • Ce l'avevi con lui ieri. — Je had het gisteren op hem gemunt.
  • Perché ce l'hai con me? — Waarom heb je het op mij gemunt?

Smetterla / smettila

Smetterla = ophouden, stoppen met — altijd met la:

  • Smettila di lamentarti! — Hou op met klagen!
  • Smettila! — Hou op! (bevel)

Voorbeelden in context

Italiaans Nederlands Werkwoord
Non ce la faccio più, sono esausta. Ik kan niet meer, ik ben uitgeput. farcela
Se ne è andata senza dire niente. Ze is weggegaan zonder iets te zeggen. andarsene
Se la cava sempre in qualche modo. Hij redt het altijd op een of andere manier. cavarsela
Ce l'ha con tutto il mondo oggi. Hij heeft het op de hele wereld gemunt vandaag. avercela
Me ne intendo di vini. Ik weet veel van wijn. intendersene
Come te la passi? Hoe gaat het met je? passarsela
Smettila di fare rumore! Hou op met lawaai maken! smetterla
Alla fine ce l'abbiamo fatta! Uiteindelijk hebben we het voor elkaar gekregen! farcela
Ve la siete cavata bene all'esame. Jullie hebben je goed gered bij het examen. cavarsela
Se ne va sempre presto dal lavoro. Hij gaat altijd vroeg weg van het werk. andarsene

Veelgemaakte fouten

Pronomina weglaten

  • Fout: Faccio bene l'italiano. (geen pronominaal werkwoord)
  • Correct: Me la cavo bene con l'italiano. (cavarsela)
  • Waarom: Pronominale werkwoorden vereisen altijd hun vaste pronomina.

Farcela verwarren met fare

  • Fare = doen/maken: Ho fatto i compiti. (ik heb huiswerk gemaakt)
  • Farcela = het voor elkaar krijgen: Ce l'ho fatta! (ik heb het gehaald!)
  • Beide zijn correct, maar betekenen iets anders.

Passato prossimo van farcela

  • Fout: Ce la ho fatta.
  • Correct: Ce l'ho fatta. (elisie: ce la → ce l')
  • Waarom: Ce la ho wordt altijd ce l'ho door elisie.

Andarsene vs. andare

  • Vado a Roma. — Ik ga naar Rome. (bestemming)
  • Me ne vado. — Ik ga weg. (nadruk op het verlaten van de huidige plek)

Gebruiksnotities

Pronominale werkwoorden zijn frequenter in de gesproken taal dan in formele schrijftaal. Ze geven uitdrukkingen een idiomatische, levendige kwaliteit die typisch is voor authentiek Italiaans.

Farcela en cavarsela zijn bijzonder frequent — je hoort ze dagelijks. Andarsene is een van de meest gebruikte pronominale werkwoorden in de spreektaal.

De volgorde van de pronomina verschilt per werkwoord en per constructie (infinitief vs. vervoeging), maar het patroon is consistent als je eenmaal de structuur doorhebt.

Oefentips

  1. Leer farcela, andarsene, cavarsela als kernwerkwoorden — beheers ze in presens en passato prossimo.
  2. Oefen dialoogzinnen: Ce la fai?Sì, ce la faccio! of No, non ce la faccio.
  3. Zoek in een Italiaanse tekst of filmdialoog naar pronominale werkwoorden en analyseer de pronomina.

Verwante concepten

Vereiste kennis

Ci en Ne Samen in het ItaliaansB1

Meer C1-concepten

Wil je Pronominale Werkwoorden in het Italiaans en meer Italiaans-grammatica oefenen? Maak een gratis account aan om te studeren met spaced repetition.

Gratis beginnen