A2

Have to en has to in het Engels

Have to

Dit artikel maakt deel uit van de grammaticaboom voor Engels op Settemila Lingue.

In het kort

Gebruik have to + werkwoord voor iets dat noodzakelijk of verplicht is: I have to work. Bij he, she en it wordt dat has to. Vragen en ontkenningen maak je met do, does of did: Do you have to go? en She doesn't have to go.

Overzicht

Have to drukt uit dat iemand iets moet doen. De reden is vaak een regel, een afspraak of een praktische omstandigheid: We have to show our passports betekent ‘We moeten onze paspoorten laten zien’. Het onderwerp (wie iets doet) kan een persoon zijn, maar ook bijvoorbeeld the bus: The bus has to stop here.

Dit onderwerp hoort bij niveau A2. De basis is overzichtelijk, maar Nederlandstaligen maken gemakkelijk fouten doordat het Nederlandse moeten meerdere Engelse vormen kan hebben. Vooral de ontkenning vraagt aandacht: don't have to betekent meestal hoeven niet, niet niet mogen.

Hoewel have hier van vorm verandert, staat na to altijd de infinitief (de onverbogen basisvorm van een werkwoord): work, leave, pay. Je zegt dus has to leave, nooit has to leaves.

Hoe het werkt

De basisbouw

Een bevestigende zin heeft dit patroon:

onderwerp + have to / has to + basisvorm

Onderwerp Vorm Voorbeeld Betekenis
I have to I have to call Anna. Ik moet Anna bellen.
you have to You have to wait. Je moet wachten.
he / she / it has to He has to study. Hij moet studeren.
we have to We have to hurry. We moeten opschieten.
they have to They have to leave. Ze moeten vertrekken.

Alleen in de derde persoon enkelvoud — he, she, it of één persoon of zaak — gebruik je has to. Een naam volgt dezelfde regel: Maya has to work. Meerdere personen krijgen have to: Maya and Leo have to work.

Vragen in de tegenwoordige tijd

Voor een ja-neevraag zet je do of does vooraan:

Do / Does + onderwerp + have to + basisvorm?

Onderwerp Vraag Kort antwoord
I / you / we / they Do we have to book? Yes, we do. / No, we don't.
he / she / it Does she have to book? Yes, she does. / No, she doesn't.

Na does gebruik je have, niet has. De uitgang voor de derde persoon zit al in does. Hetzelfde geldt in een vraag met een vraagwoord: Why does he have to leave? en When do you have to be there?

Ontkenningen in de tegenwoordige tijd

Gebruik don't of doesn't:

onderwerp + don't / doesn't + have to + basisvorm

Vorm Voorbeeld Betekenis
don't have to You don't have to come. Je hoeft niet te komen.
doesn't have to Sam doesn't have to pay. Sam hoeft niet te betalen.

Deze ontkenning neemt de noodzaak weg. De handeling mag vaak nog wel: You don't have to come zegt dat komen niet verplicht is, niet dat komen verboden is.

Verleden tijd: had to

In het verleden gebruik je voor alle personen had to:

onderwerp + had to + basisvorm

  • I had to cancel the meeting. — Ik moest de vergadering afzeggen.
  • They had to take a taxi. — Ze moesten een taxi nemen.

Vragen en ontkenningen krijgen did of didn't. Daarna keert had terug naar have:

  • Did you have to wait long? — Moest je lang wachten?
  • We didn't have to pay. — We hoefden niet te betalen.

Let op het betekenisverschil tussen didn't have to en een gewone negatieve handeling. I didn't have to pay betekent dat betalen niet nodig was; vaak volgt uit de context dat je inderdaad niet betaalde. Wil je alleen zeggen dat je niet betaalde, zonder iets over noodzaak te zeggen, dan zeg je I didn't pay.

Andere tijden

Have to heeft vormen die must niet op dezelfde manier heeft. Daardoor is het handig voor verleden, toekomst en voltooide tijden.

Tijd of vorm Patroon Voorbeeld Nederlandse betekenis
tegenwoordige tijd have/has to She has to travel. Ze moet reizen.
verleden tijd had to She had to travel. Ze moest reizen.
toekomst will have to She will have to travel. Ze zal moeten reizen.
voltooid tegenwoordige tijd have/has had to She has had to travel a lot. Ze heeft veel moeten reizen.
na een modaal werkwoord may/might have to She might have to travel. Misschien moet ze reizen.

Voor A2 zijn vooral have to, has to en had to belangrijk. De andere vormen zijn nuttig om te herkennen en komen later vaker terug.

Voorbeelden in context

Engels Nederlands Toelichting
I have to work tomorrow. Ik moet morgen werken. Praktische verplichting
She has to leave early. Ze moet vroeg vertrekken. Derde persoon enkelvoud
Our train has to stop in York. Onze trein moet in York stoppen. Train telt als it
Do you have to wear a uniform? Moet je een uniform dragen? Vraag met do
Why does Amir have to call them? Waarom moet Amir hen bellen? Na does staat have
We don't have to bring towels. We hoeven geen handdoeken mee te nemen. Niet noodzakelijk
Eva doesn't have to cook tonight. Eva hoeft vanavond niet te koken. Ontkenning met doesn't
I had to take the bus yesterday. Ik moest gisteren de bus nemen. Verleden tijd
Did they have to wait outside? Moesten ze buiten wachten? Vraag in het verleden
I didn't have to pay. Ik hoefde niet te betalen. Geen noodzaak in het verleden
You'll have to show some identification. Je zult een identiteitsbewijs moeten laten zien. Toekomstige noodzaak
We may have to change the date. Misschien moeten we de datum wijzigen. Mogelijke noodzaak
I've had to learn to be patient. Ik heb geduld moeten leren hebben. Ervaring tot nu toe

Veelgemaakte fouten

Have gebruiken bij he, she of it

  • Fout: She have to leave early.
  • Goed: She has to leave early.
  • Waarom: In een bevestigende zin in de tegenwoordige tijd krijgt de derde persoon enkelvoud has to.

Has laten staan na does

  • Fout: Does he has to work today?
  • Goed: Does he have to work today?
  • Waarom: Does draagt de persoonsuitgang al. Het hoofdwerkwoord keert daarom terug naar de basisvorm have.

Een extra uitgang toevoegen aan het tweede werkwoord

  • Fout: Mia has to works late.
  • Goed: Mia has to work late.
  • Waarom: Na to staat de basisvorm. Alleen has verandert mee met het onderwerp.

Don't have to verwarren met mustn't

  • Fout bedoeld als verbod: You don't have to park here.
  • Goed: You mustn't park here. / You can't park here.
  • Waarom: You don't have to park here betekent ‘Je hoeft hier niet te parkeren’; parkeren kan nog steeds toegestaan zijn. You mustn't park here betekent ‘Je mag hier niet parkeren’.

Had gebruiken na did

  • Fout: Did you had to pay?
  • Goed: Did you have to pay?
  • Waarom: Did geeft het verleden al aan. Daarna volgt have, net zoals na does.

Nederlands moeten niet woord voor woord omzetten

  • Onbedoeld: We must not leave early als je bedoelt dat vroeg vertrekken niet nodig is.
  • Goed: We don't have to leave early.
  • Waarom: Het Nederlandse ‘we moeten niet vroeg vertrekken’ kan afhankelijk van de context een advies, een verbod of ontbrekende noodzaak uitdrukken. Kies in het Engels bewust tussen shouldn't, mustn't en don't have to.

Gebruiksnotities

Have to en must

Have to en must kunnen beide ‘moeten’ betekenen. Een bruikbare beginnersregel is:

  • have to: een regel, afspraak of omstandigheid maakt iets nodig;
  • must: de spreker legt nadruk op de noodzaak of geeft zelf een sterke instructie.

Vergelijk I have to wear a helmet at work (de werkregel vereist het) met I must remember to call Noor (ik vind het zelf dringend belangrijk). Dit onderscheid is niet absoluut. Vooral in bevestigende zinnen kunnen moedertaalsprekers beide vormen gebruiken. Have to is heel gewoon in alledaags Engels en klinkt vaak neutraler.

Bij ontkenningen is het verschil wél scherp:

Engels Betekenis Nederlands
You don't have to go. Er is geen verplichting. Je hoeft niet te gaan.
You mustn't go. Gaan is verboden of sterk afgeraden. Je mag beslist niet gaan.

Uitspraak in gewone gesprekken

In snelle informele spraak klinkt have to vaak ongeveer als ‘haf tə’ en has to als ‘has tə’ of ‘haz tə’, afhankelijk van de omringende klanken. Je kunt in zeer informele weergaven soms hafta zien. Dat is geen standaardspelling: schrijf in normale berichten, schoolwerk en zakelijke tekst altijd have to.

Contracties

In ontkenningen zijn don't, doesn't en didn't normaal in gesprekken en informele teksten. Volle vormen als do not have to komen vaker voor wanneer iemand nadruk legt of formeel schrijft. Bevestigend I have to wordt niet verkort tot I've to in gewoon standaardengels. I've got to is een andere, informele constructie.

Verder dan de basis

De volgende nuances hoef je op A2 nog niet actief te beheersen, maar je zult ze later tegenkomen.

Have got to

In vooral gesproken Engels betekent have got to vaak hetzelfde als have to: I've got to leave now betekent ‘Ik moet nu weg’. Bij he, she, it krijg je has got to: She's got to be careful. Deze constructie gaat meestal over een huidige of nabije noodzaak. Voor verleden en toekomst gebruik je gewoonlijk had to en will have to, niet vormen als had got to voor dezelfde algemene betekenis.

Gevolgtrekkingen met have to

Have to kan ook een sterke logische conclusie uitdrukken, vooral in Amerikaans Engels:

  • That has to be the right address. — Dat moet wel het juiste adres zijn.
  • You have to be joking. — Je maakt zeker een grapje.

Hier legt niemand een verplichting op. De spreker bedoelt dat iets volgens de beschikbare informatie vrijwel zeker waar is. Bij het verleden kun je bijvoorbeeld horen: It had to be a mistake — ‘Het moest wel een vergissing zijn.’

Gewoonte en herhaling

Met een frequentiewoord kan have to aangeven hoe vaak een noodzaak terugkomt:

  • I often have to work late. — Ik moet vaak overwerken.
  • She rarely has to drive. — Ze hoeft zelden te rijden.

Plaats woorden als often, usually, sometimes doorgaans vóór have to. Bij never have to ontbreekt de noodzaak altijd: We never have to book in advance betekent ‘We hoeven nooit vooraf te reserveren’.

Voltooide vormen

Have had to ziet er vreemd uit doordat have tweemaal verschijnt, maar beide woorden hebben een andere taak. Het eerste have vormt de voltooide tijd; had to draagt de betekenis ‘moeten’:

  • I have had to make some difficult choices. — Ik heb moeilijke keuzes moeten maken.
  • She has had to work from home since May. — Ze heeft sinds mei thuis moeten werken.

In een verdere verleden tijd komt ook had had to voor: By Friday, we had had to cancel twice. Die correcte maar zware vorm is zeldzamer en kan vaak natuurlijker worden herschreven.

Oefentips

  1. Maak drietallen. Neem één situatie en schrijf een mededeling, vraag en ontkenning: Leo has to call, Does Leo have to call?, Leo doesn't have to call. Zo oefen je meteen de wissel van has naar have.
  2. Vertaal de betekenis, niet alleen het woord ‘moeten’. Vraag bij elke Nederlandse zin: is dit verplicht, niet nodig, verboden of alleen verstandig? Kies dan tussen have to, don't have to, mustn't en should.
  3. Oefen langs een tijdlijn. Vertel over gisteren, vandaag en morgen met hetzelfde werkwoord: I had to work, I have to work, I will have to work. Lees de zinnen hardop om de vormen automatisch te leren gebruiken.

Verwante onderwerpen

  • Voorkennis: Should en must — vergelijk advies, sterke noodzaak en verplichting met have to.

Vereiste kennis

Should en must in het EngelsA2

Meer A2-concepten