A1

Het formele onderwerp *det* in het Deens

Formelt Subjekt Det

Dit artikel maakt deel uit van de grammaticaboom voor Deens op Settemila Lingue.

In het kort

In zinnen over het weer, de temperatuur, een dag of een algemene situatie gebruikt het Deens vaak det als formeel onderwerp: Det regner (het regent), Det er koldt (het is koud) en Det er fredag (het is vrijdag). Det verwijst daar niet naar één bepaald ding, maar vult de plaats van het onderwerp. Het lijkt dus vaak op Nederlands het, maar de Deense woordvolgorde blijft belangrijk: I dag er det varmt.

Overzicht

Een onderwerp is het zinsdeel waarover de zin iets zegt of dat de handeling uitvoert. In Peter arbejder is Peter het onderwerp: Peter werkt. Maar wie of wat regent in Det regner? Niemand. Het Deens heeft in zo'n zin toch een grammaticaal onderwerp nodig. Daarom staat er det. Dit heet een formeel onderwerp: een woord dat de plaats van het onderwerp inneemt zonder naar een concrete persoon of zaak te verwijzen.

Voor Nederlandstaligen is de basis gelukkig herkenbaar. We zeggen eveneens het regent, het is koud en het is maandag. Toch kun je niet altijd woord voor woord vertalen. Voor een benodigde tijdsduur gebruikt het Deens bijvoorbeeld vaak det tager: Det tager to timer betekent ‘Het duurt twee uur’. Bovendien kan det door de Deense V2-woordvolgorde op een andere plaats komen te staan dan je aanvankelijk verwacht.

Dit onderwerp hoort bij A1, omdat zulke zinnen al snel nodig zijn in een gesprek: over het weer, een afspraak, een reisduur of de dag van de week. Begin met de vaste patronen. De latere delen van dit artikel laten zien hoe hetzelfde det ook in langere en onpersoonlijke constructies werkt.

Zo werkt het

De eenvoudigste patronen

Det is hier geen vertaling van een concreet Nederlands dit of dat. Het heeft vooral een grammaticale functie.

Betekenis Deens patroon Voorbeeld
weer met een werkwoord Det + werkwoord Det regner.
weer of toestand met være Det + er + bijvoeglijk naamwoord Det er koldt.
dag of moment Det + er + tijdsaanduiding Det er fredag.
benodigde duur Det + tager + tijdsduur Det tager en time.

Een bijvoeglijk naamwoord is een woord dat een eigenschap noemt, zoals kold (koud) of varm (warm). In deze onpersoonlijke zinnen staat meestal de onzijdige vorm op -t: koldt, varmt, mørkt, lyst. Dat past bij det.

  • Det er koldt udenfor. — Het is buiten koud.
  • Det bliver mørkt tidligt. — Het wordt vroeg donker.
  • Det var varmt i går. — Het was gisteren warm.

Je kunt behalve er ook andere werkwoordsvormen gebruiken. Zo betekent bliver ‘wordt’, var ‘was’ en har været ‘is geweest’. Het formele onderwerp blijft det:

  • Det bliver koldt i nat. — Het wordt vannacht koud.
  • Det var mandag i går. — Het was gisteren maandag.
  • Det har været dejligt vejr. — Het is mooi weer geweest.

Weerwerkwoorden

Bij werkwoorden als regne (regenen), sne (sneeuwen) en blæse (waaien) staat det als onderwerp. In de tegenwoordige tijd krijgen Deense werkwoorden doorgaans -r: regner, sner, blæser.

  • Det regner meget. — Het regent hard/veel.
  • Det sner. — Het sneeuwt.
  • Det blæser ved kysten. — Het waait aan de kust.

Net als in het Nederlands mag je het onderwerp niet simpelweg weglaten. Alleen een zeer korte mededeling op bijvoorbeeld een weerkaart kan een andere, verkorte stijl hebben; in een gewone volledige zin gebruik je det.

Hoofdzin: de persoonsvorm op plaats twee

In een Deense hoofdzin staat de persoonsvorm (het vervoegde werkwoord, zoals er of regner) normaal op de tweede zinsplaats. Begint de zin met det, dan volgt het werkwoord direct:

  • Det er varmt i dag.
  • Det regner nu.

Zet je een ander zinsdeel voorop, dan komt eerst het werkwoord en pas daarna det:

  • I dag er det varmt. — Vandaag is het warm.
  • Om vinteren bliver det tidligt mørkt. — In de winter wordt het vroeg donker.
  • I København regner det. — In Kopenhagen regent het.

Een zinsplaats kan uit meer dan één woord bestaan. I dag vormt samen de eerste plaats; er staat op de tweede plaats en det daarna. De Nederlandse volgorde helpt hier vaak, maar leer het Deense patroon bewust: tijd/plaats + werkwoord + det + rest.

Vragen en ontkenning

In een ja-neevraag staat het werkwoord vóór det:

  • Er det koldt? — Is het koud?
  • Regner det? — Regent het?
  • Tager det lang tid? — Duurt het lang?

Bij een ontkenning staat ikke in een gewone hoofdzin meestal na het onderwerp:

  • Det er ikke koldt. — Het is niet koud.
  • I dag regner det ikke. — Vandaag regent het niet.
  • Det tager ikke lang tid. — Het duurt niet lang.

In een bijzin — een zinsdeel dat niet zelfstandig de hoofdmededeling vormt — staat het onderwerp vóór ikke en vóór het werkwoordelijke vervolg:

  • Vi bliver hjemme, fordi det regner. — We blijven thuis omdat het regent.
  • Jeg håber, at det ikke bliver koldt. — Ik hoop dat het niet koud wordt.

Det tager voor een benodigde tijd

Om te zeggen hoeveel tijd een handeling, reis of proces kost, gebruikt het Deens vaak:

Det tager + tijdsduur + at + infinitief

De infinitief is de hele werkwoordsvorm, zoals (lopen) of lære (leren).

  • Det tager ti minutter at gå til stationen. — Het duurt tien minuten om naar het station te lopen.
  • Det tager tid at lære dansk. — Het kost tijd om Deens te leren.

Zonder verdere handeling kan het ook kort: Det tager to timer. In het Nederlands klinkt het duurt vaak natuurlijker dan een letterlijke vertaling met nemen. Vertaal dus de betekenis, niet elk woord afzonderlijk.

Voorbeelden in context

Deens Nederlands Toelichting
Det regner. Het regent. Weerwerkwoord
Det sner i Jylland. Het sneeuwt in Jutland. Plaats achteraan
Det er varmt i dag. Het is warm vandaag. Onzijdige vorm varmt
I morges var det koldt. Vanmorgen was het koud. Tijd voorop; var vóór det
I morgen bliver det solrigt. Morgen wordt het zonnig. Toekomstige verandering met bliver
Det er fredag. Het is vrijdag. Dag van de week
Det er sent. Het is laat. Algemene tijdssituatie
Er det allerede mørkt? Is het al donker? Vraag: werkwoord voorop
Nej, det er ikke mørkt endnu. Nee, het is nog niet donker. Ontkenning met ikke
Vi går ikke ud, fordi det blæser. We gaan niet naar buiten omdat het waait. det in een bijzin
Det tager to timer. Het duurt twee uur. Benodigde tijdsduur
Det tager en halv time at lave mad. Het duurt een halfuur om eten te maken. Duur plus handeling
Hvor lang tid tager det? Hoe lang duurt het? Vraagwoord voorop, det na tager
Om sommeren er det lyst længe. In de zomer blijft het lang licht. Tijd voorop en natuurlijke Nederlandse vertaling

Veelgemaakte fouten

1. Det weglaten bij het weer

  • Fout: Regner i dag.
  • Goed: Det regner i dag.
  • Waarom: Een gewone volledige Deense zin heeft hier een formeel onderwerp nodig, net als het Nederlandse het regent.

2. De gewone vorm van het bijvoeglijk naamwoord gebruiken

  • Fout: Det er kold.
  • Goed: Det er koldt.
  • Waarom: In deze onpersoonlijke constructie hoort bij det doorgaans de onzijdige vorm op -t. Hetzelfde geldt voor varmt, mørkt en lyst.

3. Na een tijdsbepaling de volgorde det + werkwoord behouden

  • Fout: I dag det er varmt.
  • Goed: I dag er det varmt.
  • Waarom: In een hoofdzin staat de persoonsvorm op de tweede zinsplaats. Als i dag vooropstaat, volgt dus er en daarna det.

4. Nederlands duren te letterlijk vertalen

  • Fout: Det durer to timer.
  • Goed: Det tager to timer.
  • Waarom: Voor de benodigde tijd van een reis of handeling is tage het gewone Deense werkwoord. De vorm durer is geen Deense vertaling van Nederlands duurt.

5. Deens er en Nederlands er door elkaar halen

  • Fout: Er er koldt.
  • Goed: Det er koldt.
  • Waarom: Deens er is de tegenwoordige tijd van være en betekent hier ‘is’. Het Nederlandse plaatsvullende het wordt det. Het Deense woord der heeft weer andere functies.

6. Det en der verwisselen

  • Fout: Det er en café på hjørnet als je alleen wilt zeggen dat er een café bestaat.
  • Goed: Der er en café på hjørnet. — Er is een café op de hoek.
  • Waarom: Det beschrijft hier een algemene situatie: Det er koldt. Der introduceert vaak het bestaan of de aanwezigheid van iets: Der er en café. Nederlands gebruikt in dat tweede type juist er, waardoor verwarring snel ontstaat.

Gebruiksnotities

Bij weer en temperatuur klinkt det volkomen neutraal. Het is geen nadrukkelijk ‘dat’. Spreek Det regner daarom als één gewone mededeling uit, zonder bijzondere klemtoon op det. Wil je wel naar iets concreets verwijzen, dan kan hetzelfde woord een echt aanwijzend of persoonlijk voornaamwoord zijn: Jeg kan lide huset. Det er smukt (Ik vind het huis mooi. Het is prachtig). De context bepaalt dus of det inhoud heeft of alleen de onderwerpplaats vult.

Niet elke Nederlandse zin met het is wordt automatisch det er. Voor kloktijd vraagt en antwoordt men vaak met Hvad er klokken? Klokken er otte (Hoe laat is het? Het is acht uur). Voor dagen en algemene tijdservaringen zijn Det er mandag, Det er sent en Det er tidligt wel normale patronen.

Let ook op natuurlijke vertalingen. Om sommeren er det lyst længe wordt in het Nederlands eerder ‘In de zomer blijft het lang licht’ dan het stijve ‘is het lang licht’. Een goede vertaling hoeft de Deense werkwoorden niet één voor één te kopiëren.

Verder dan de basis: gevorderd gebruik

De volgende patronen hoef je op A1 nog niet actief te beheersen, maar je zult ze later vaak tegenkomen.

Vooruitwijzend det

Det kan alvast de onderwerpplaats vullen terwijl de echte inhoud later komt in een zin met at (dat/om te):

  • Det er vigtigt at øve sig. — Het is belangrijk om te oefenen.
  • Det er godt, at du kommer. — Het is fijn dat je komt.
  • Det kan være svært at forstå udtalen. — Het kan moeilijk zijn om de uitspraak te begrijpen.

De groep vanaf at bevat hier wat eigenlijk beoordeeld wordt: oefenen is belangrijk; begrijpen kan moeilijk zijn. Het Nederlands gebruikt in precies zulke gevallen vaak eveneens vooruitwijzend het. De constructie is daardoor herkenbaar, maar let opnieuw op de Deense V2-volgorde: For begyndere kan det være svært at forstå udtalen.

Verwijzend en formeel det onderscheiden

Vergelijk:

  • Det er koldt i dag.Det is formeel; het verwijst niet naar een voorwerp.
  • Vandet er koldt. Det er kun ti grader. — In de tweede zin verwijst det naar vandet (het water).

De vorm is hetzelfde. Een nuttige test is de vraag: ‘Kan ik precies aanwijzen waar det naar terugverwijst?’ Zo ja, dan is het waarschijnlijk verwijzend. Zo nee, en gaat de zin over weer, tijd of een algemene beoordeling, dan is het waarschijnlijk formeel of vooruitwijzend.

Algemene indrukken en ervaringen

Met det er kun je ook een situatie als geheel beoordelen:

  • Det er hyggeligt her. — Het is hier gezellig.
  • Det var dejligt at se dig. — Het was fijn je te zien.
  • Det lyder godt. — Dat klinkt goed.

Bij Det lyder godt kan Nederlands dat natuurlijker zijn en kan det naar een voorstel of uitspraak verwijzen. De grens tussen een lege onderwerpplaats en een verwijzing naar de hele voorafgaande situatie is niet altijd scherp. Voor praktisch taalgebruik is vooral van belang dat het Deense onderwerp aanwezig blijft en op de juiste plaats staat.

Oefentips

  1. Maak weerzinnen in drie tijden. Neem één patroon en verander alleen het werkwoord: Det er koldt, Det var koldt, Det bliver koldt. Zo oefen je det zonder te veel nieuwe woorden tegelijk.
  2. Zet elke zin ook met een tijdsbepaling voorop. Maak van Det regner i dag de zin I dag regner det. Controleer steeds: staat het vervoegde werkwoord op de tweede zinsplaats?
  3. Koppel duur aan je eigen routine. Zeg bijvoorbeeld Det tager ti minutter at cykle til arbejde of Det tager en time at lave aftensmad. Persoonlijke, geloofwaardige zinnen blijven beter hangen dan losse regels.

Verwante onderwerpen

  • Vooraf nodig: Het werkwoord være — hiermee vorm je basiszinnen als det er, det var en det har været.

Vereiste kennis

Het werkwoord *være* in het DeensA1

Meer A1-concepten

Dit concept in andere talen

Vergelijk in alle talen

Oefen Formelt Subjekt Det in Deens met een gratis Settemila Lingue-account. We stellen Deens · A1 voor je in en genereren kaarten voor precies dit grammaticaconcept.

Dit concept oefenen