A2

Werkwoorden van beweging en richting in het Catalaans

Verbs de Moviment i Direcció

Dit artikel maakt deel uit van de grammaticaboom voor Catalaans op Settemila Lingue.

In het kort

Bij een bestemming gebruikt het Catalaans meestal anar a ‘naar ... gaan’ en bij een herkomst venir de of sortir de: Vaig a Girona, Vinc de Girona, Surto de casa. Entrar krijgt bij een plaats doorgaans a of en, terwijl pujar en baixar soms zonder voorzetsel een rechtstreeks object krijgen: Puja les escales ‘Ga de trap op’. Let ook op de samentrekkingen al, als, del en dels.

Overzicht

Met bewegingswerkwoorden vertel je waar iemand heen gaat, waar diegene vandaan komt en in welke richting de beweging verloopt. Op A2-niveau kom je vooral deze zeven veelgebruikte werkwoorden tegen: anar (gaan), venir (komen), sortir (uitgaan, vertrekken), entrar (binnengaan), pujar (omhooggaan), baixar (omlaaggaan) en tornar (teruggaan of terugkomen). Je hebt ze voortdurend nodig voor routes, woon-werkverkeer, afspraken, reizen en aanwijzingen.

Het voorzetsel — een kort woord zoals a of de dat een verband aangeeft — maakt duidelijk of de genoemde plaats een bestemming of vertrekpunt is. Dat lijkt op Nederlands naar en uit/van, maar de verdeling is niet woord voor woord gelijk. In het Catalaans zeg je bijvoorbeeld anar a Barcelona, niet met een apart woord dat precies met Nederlands naar overeenkomt. Ook versmelten a en de soms met het lidwoord.

De persoonsvorm laat meestal al zien wie beweegt. Het onderwerp (de persoon of zaak die de handeling uitvoert) hoeft daarom niet steeds genoemd te worden: Vaig a la feina kan zonder jo gewoon ‘Ik ga naar mijn werk’ betekenen.

Hoe het werkt

De kern: bestemming, herkomst en richting

Betekenis Catalaans patroon Voorbeeld Nederlands
naar een bestemming gaan anar a + plaats Anem al mercat. We gaan naar de markt.
naar de spreker of een afgesproken punt komen venir a + plaats Vens a casa meva? Kom je naar mijn huis?
uit een plaats komen venir de + plaats Vinc de Tarragona. Ik kom uit Tarragona.
een plaats verlaten sortir de + plaats Surten de l'oficina. Ze verlaten het kantoor.
een ruimte binnengaan entrar a/en + plaats Entrem a la sala. We gaan de zaal binnen.
omhooggaan pujar, eventueel a + bestemming Pugem al segon pis. We gaan naar de tweede verdieping.
omlaaggaan baixar, eventueel a/de + plaats Baixo al carrer. Ik ga naar beneden, de straat op.
terugkeren tornar a + bestemming Torno a casa. Ik ga/kom terug naar huis.

Voor beginners is een goede hoofdregel: a wijst naar het doel, de wijst naar het vertrekpunt. Bij entrar hoor en lees je zowel a als en voor een plaats. Leer op A2 eerst de veelvoorkomende verbindingen als geheel, bijvoorbeeld entrar a casa, entrar a l'edifici en entrar en una habitació. De keuze kan afhangen van het soort plaats en van regionale of stilistische voorkeur.

Samentrekkingen met het lidwoord

A en de trekken samen met de mannelijke lidwoorden el en els. Voor een Nederlands oor is dit gemakkelijk te missen, omdat Nederlands naar de en van de als twee woorden laat staan.

Losse delen Verplichte vorm Voorbeeld Betekenis
a + el al Vaig al banc. Ik ga naar de bank.
a + els als Pugem als Pirineus. We gaan de Pyreneeën in/omhoog.
de + el del Surto del museu. Ik kom het museum uit.
de + els dels Baixen dels pisos de dalt. Ze komen van de bovenverdiepingen naar beneden.
a + la a la Entro a la cuina. Ik ga de keuken binnen.
de + la de la Vinc de la feina. Ik kom van mijn werk.

Voor een klinker blijft de weglating van de klinker in het lidwoord zichtbaar: a l'estació, de l'aeroport. Bij veel plaatsnamen staat geen lidwoord: a Barcelona, de Girona. Ook casa staat in de vaste verbindingen a casa en de casa vaak zonder lidwoord.

Tegenwoordige tijd

De infinitief (de onverbogen vorm, zoals Nederlands gaan) staat in de eerste kolom. Sommige vormen zijn regelmatig, andere moet je apart leren.

Persoon anar venir sortir entrar pujar baixar tornar
jo vaig vinc surto entro pujo baixo torno
tu vas vens surts entres puges baixes tornes
ell/ella/vostè va ve surt entra puja baixa torna
nosaltres anem venim sortim entrem pugem baixem tornem
vosaltres aneu veniu sortiu entreu pugeu baixeu torneu
ells/elles/vostès van venen surten entren pugen baixen tornen

Bij pujar verandert de spelling van j in g voor e: pujo, maar puges en pugem. Zo blijft de uitspraak van de stam herkenbaar. Anar, venir en sortir hebben meerdere onregelmatige vormen; oefen die daarom liever in korte zinnen dan als losse rijtjes.

Anar en venir: van welk standpunt kijk je?

Net als Nederlands maakt het Catalaans verschil tussen gaan en komen. Anar beschrijft een beweging weg van het uitgangspunt naar elders. Venir beschrijft een beweging naar de spreker, de aangesprokene of een afgesproken referentiepunt.

  • Demà vaig a Lleida. — Morgen ga ik naar Lleida.
  • Demà vens a casa meva? — Kom je morgen naar mijn huis?
  • La Marta ve a l'oficina a les nou. — Marta komt om negen uur naar kantoor.

Kijk dus niet alleen naar de Nederlandse vertaling, maar vraag je af: naar wiens plek beweegt iemand? In een telefoongesprek kan het gekozen standpunt bepalen of anar of venir natuurlijk is.

Pujar en baixar: met of zonder voorzetsel

Deze werkwoorden kunnen zelfstandig staan: L'ascensor puja ‘De lift gaat omhoog’ en Ara baixo ‘Ik kom nu naar beneden’. Ze kunnen ook een bestemming krijgen: pujar al terrat ‘naar het dakterras omhooggaan’, baixar al vestíbul ‘naar de hal beneden gaan’ of baixar de l'autobús ‘uit de bus stappen’.

Bij iets wat je op- of afgaat, staat vaak geen voorzetsel:

  • pujar les escales — de trap opgaan
  • baixar les escales — de trap afgaan
  • pujar una muntanya — een berg beklimmen

Les escales is hier het lijdend voorwerp (wie of wat rechtstreeks door de handeling wordt getroffen). De Nederlandse gewoonte om altijd op, af of naar toe te voegen, levert in het Catalaans dus soms een overbodig voorzetsel op.

Vervoer en tijd

Het vervoermiddel staat vaak met en: en metro, en tren, en autobús, en cotxe. Lopen is a peu. Een vertrektijd krijgt a: a les vuit ‘om acht uur’.

  • Vaig a la feina en metro. — Ik ga met de metro naar mijn werk.
  • Tornem a peu. — We gaan lopend terug.
  • El tren surt a dos quarts de nou. — De trein vertrekt om halfnegen.

Voorbeelden in context

Catalaans Nederlands Toelichting
Vaig a la feina en metro. Ik ga met de metro naar mijn werk. Bestemming met a; vervoer met en.
Demà anem al mercat. Morgen gaan we naar de markt. a + el wordt al.
Vens a casa després de sopar? Kom je na het avondeten naar mij toe? Venir is gericht op de plek van de spreker.
Ve de Girona. Hij/zij komt uit Girona. Herkomst met de; het onderwerp blijft onuitgesproken.
Els nens surten de l'escola a les cinc. De kinderen komen om vijf uur uit school. Sortir de geeft het vertrekpunt aan.
Hem sortit de casa a les vuit. We zijn om acht uur van huis vertrokken. Voltooide tijd van sortir.
Entreu a la sala, si us plau. Gaan jullie alstublieft de zaal binnen. Beleefde aanwijzing aan meerdere personen.
Puja les escales i gira a la dreta. Ga de trap op en sla rechtsaf. Geen a voor les escales.
L'ascensor puja fins al sisè pis. De lift gaat tot de zesde verdieping. Fins a markeert het eindpunt; a + el wordt al.
Baixo de l'autobús a la pròxima parada. Ik stap bij de volgende halte uit de bus. Letterlijk een neerwaartse beweging uit het voertuig.
Baixem al carrer? Zullen we naar beneden, de straat op gaan? Al carrer is de bestemming.
Quan tornes a València? Wanneer ga je terug naar Valencia? Tornar a + plaats betekent terugkeren.
Torno de la feina cap a les sis. Ik kom rond zes uur terug van mijn werk. De noemt hier de plek waarvandaan iemand terugkeert.
La Clara torna a llegir el missatge. Clara leest het bericht opnieuw. Tornar a + infinitief betekent ‘opnieuw’.

Veelgemaakte fouten

1. Het voorzetsel bij de bestemming weglaten

  • Niet: Vaig Barcelona demà.
  • Wel: Vaig a Barcelona demà.
  • Waarom: Een bestemming na anar krijgt normaal a. Nederlands gebruikt hier naar, maar het Catalaanse vaste patroon is anar a.

2. A el en de el los schrijven

  • Niet: Anem a el centre i sortim de el metro.
  • Wel: Anem al centre i sortim del metro.
  • Waarom: A + el wordt altijd al en de + el altijd del. Bij la gebeurt dat niet: a la plaça, de la plaça.

3. Anar gebruiken waar het standpunt venir vraagt

  • Minder passend: Vas a casa meva aquesta nit? als je zelf thuis zult zijn.
  • Natuurlijk: Vens a casa meva aquesta nit?
  • Waarom: De beweging gaat naar de plek van de spreker. Net als bij Nederlands komen is het gekozen standpunt belangrijk.

4. Entrar rechtstreeks aan een plaats koppelen

  • Niet: Entrem la sala.
  • Wel: Entrem a la sala.
  • Waarom: Bij een ruimte gebruikt entrar gewoonlijk a of en. Laat je niet misleiden door Nederlands de zaal binnengaan, waarin geen voorzetsel nodig is.

5. Een voorzetsel toevoegen bij les escales

  • Niet: Puja a les escales als je bedoelt dat iemand de trap moet oplopen.
  • Wel: Puja les escales.
  • Waarom: De trap is hier datgene wat je opgaat. Pujar a les escales kan eerder de trappen als bestemming aanduiden dan de handeling ‘de trap oplopen’.

6. De twee betekenissen van tornar a verwarren

  • Plaats: Torna a l'oficina. — Ga terug naar kantoor.
  • Handeling: Torna a trucar. — Bel opnieuw.
  • Waarom: Na tornar a bepaalt het volgende woord de betekenis. Een plaats geeft een terugkeer aan; een infinitief geeft herhaling aan.

Gebruik in de praktijk

In gewone gesprekken worden onderwerpvoornaamwoorden vaak weggelaten. Vinc ara, Baixem? en Tornen demà klinken volledig, omdat vinc, baixem en tornen de persoon al aangeven. Voeg jo, nosaltres of ells vooral toe voor nadruk of contrast: Jo baixo, però tu et quedes aquí ‘Ik ga naar beneden, maar jij blijft hier’.

Bij een routebeschrijving hoor je vaak de gebiedende wijs (de vorm waarmee je een opdracht of aanwijzing geeft): ves ‘ga’, vine ‘kom’, entra ‘ga naar binnen’, surt ‘ga naar buiten’, puja, baixa en torna. Tegen meer dan één persoon worden dat onder andere aneu, veniu, entreu, sortiu, pugeu, baixeu en torneu. Het voorbeeld Puja les escales! is dus gericht tot één persoon die je met tu aanspreekt.

Pujar en baixar krijgen in het dagelijks leven bredere betekenissen. Je kunt pujar al tren ‘in de trein stappen’ en baixar del tren ‘uit de trein stappen’ zeggen. In digitale context kan pujar una foto ‘een foto uploaden’ betekenen en baixar un fitxer ‘een bestand downloaden’. De ruimtelijke gedachte omhoog/omlaag blijft daarin herkenbaar.

Verder dan de basis

De volgende punten hoef je op A2 nog niet actief te beheersen, maar je zult ze al snel tegenkomen.

Verleden tijden

Alle zeven werkwoorden vormen een samengestelde voltooide tijd met haver en een voltooid deelwoord (de vorm die bij Nederlands vaak op ge- eindigt): he anat, has vingut, ha sortit, hem entrat, heu pujat, han baixat, ha tornat. Zo krijg je bijvoorbeeld Hem sortit de casa a les vuit.

Daarnaast gebruikt het Catalaans heel vaak de perifrastische verleden tijd: een vorm van anar als hulpwerkwoord plus een infinitief, zonder a. Daardoor is het verschil tussen de volgende zinnen belangrijk:

  • Vaig a comprar pa. — Ik ga brood kopen; a hoort bij de constructie met een doel of bedoeling.
  • Vaig comprar pa. — Ik kocht brood; zonder a vormt vaig met comprar een verleden tijd.

De vorm vaig betekent dus niet automatisch ‘ik ga’. Kijk altijd of er a staat en wat erna volgt.

Afstand en eindpunt preciezer aangeven

Met fins a markeer je hoe ver de beweging gaat: Caminem fins a l'estació ‘We lopen tot aan het station’. Cap a geeft een richting bij benadering: Anem cap al centre ‘We gaan richting het centrum’. Het eindpunt hoeft bij cap a niet bereikt te worden.

Ook kan een voornaamwoord later een al genoemde plaats vervangen. Hi vaig cada dia betekent ‘Ik ga er elke dag heen’. Dat kleine woord hi is een apart grammaticaal onderwerp, maar het komt bij bewegingswerkwoorden bijzonder vaak voor.

Regionale vormen herkennen

Het Catalaans kent regionale standaardvariatie. In Valenciaans kun je bij sortir bijvoorbeeld vormen met isc tegenkomen waar in veel andere varianten surto staat. Zulke verschillen veranderen het basispatroon sortir de niet. Voor actief gebruik is het verstandig één consistente standaardvariant te volgen en andere vormen eerst vooral te leren herkennen.

Oefentips

  1. Leer werkwoord en voorzetsel samen. Maak kaartjes met hele combinaties: anar a l'estació, venir de Girona, sortir de casa, entrar a la botiga en tornar al poble. Zo voorkom je dat je vanuit het Nederlands telkens los over naar, uit of van nadenkt.
  2. Teken een eenvoudige route. Beschrijf hardop elke stap: Surto de casa, vaig al metro, baixo a Catalunya, pujo les escales i entro a l'oficina. Wissel daarna persoon en tijd: sortim, aneu, han entrat.
  3. Oefen contrastparen. Zeg telkens twee zinnen naast elkaar: Vaig a Girona / Vinc de Girona, Pujo al tercer pis / Baixo del tercer pis, Torno a casa / Torno a estudiar. Juist het contrast maakt richting en betekenis goed voelbaar.

Verwante onderwerpen

Vereiste kennis

Catalaanse -ar-werkwoorden in de tegenwoordige tijdA1

Meer A2-concepten

Dit concept in andere talen

Vergelijk in alle talen

Oefen Verbs de Moviment i Direcció in Catalaans met een gratis Settemila Lingue-account. We stellen Catalaans · A2 voor je in en genereren kaarten voor precies dit grammaticaconcept.

Dit concept oefenen