A2

Plaats- en aanwijzende woorden in het Māori

Kupu Tohu

Dit artikel maakt deel uit van de grammaticaboom voor Maori op Settemila Lingue.

In het kort

Het Māori kiest een aanwijzend woord op basis van het standpunt van de spreker: tēnei is dichtbij mij, tēnā dichtbij jou en tērā ver van ons allebei. Voor een plaats gebruik je op dezelfde manier konei, konā en korā. Na een werkwoord geeft mai beweging naar de spreker toe aan en atu beweging van de spreker af.

Overzicht

Met aanwijzende woorden wijs je een persoon of zaak aan: tēnei pukapuka betekent ‘dit boek’ en tērā whare ‘dat huis daar’. Plaatswoorden verwijzen niet naar een zaak, maar naar een plek: konei is ‘hier’ en korā is ‘daar, verder weg’. Beide groepen vormen een systeem van drie afstanden. Het gaat daarbij niet alleen om dichtbij of veraf, maar ook om bij wie iets zich bevindt.

Dit onderwerp hoort bij A2, omdat je de woorden al snel nodig hebt in gesprekken: om iets aan te wijzen, te vragen waar iets ligt, iemand naar je toe te roepen of een voorwerp door te geven. Je bouwt voort op te en ngā, de bepaalde lidwoorden voor enkelvoud en meervoud. Belangrijk is dat een aanwijzend woord vóór een zelfstandig naamwoord (een woord voor een persoon, dier, zaak of begrip) de plaats van zo'n lidwoord inneemt.

Voor Nederlandstaligen is het driedelige perspectief het grootste verschil. In het Nederlands kies je meestal tussen dit/deze en dat/die. Het Māori maakt daarnaast systematisch onderscheid tussen ‘bij mij’, ‘bij jou’ en ‘daar, niet bij een van ons’. De Nederlandse vertaling dat vertelt dus niet altijd welk Māori-woord je nodig hebt.

Hoe het werkt

De basis: drie gezichtspunten

Stel je een gesprek voor tussen twee mensen. De spreker vormt het middelpunt van tēnei en konei. De aangesproken persoon vormt het middelpunt van tēnā en konā. Wat duidelijk van beiden verwijderd is, krijgt tērā of korā.

Gezichtspunt Eén zaak Meer zaken Plaats Kernbetekenis
dichtbij de spreker tēnei ēnei konei dit/deze, deze hier; hier
dichtbij de aangesprokene tēnā ēnā konā dat/die bij jou; daar bij jou
ver van beiden tērā ērā korā dat/die daar verderop; ginds

‘Dichtbij’ hoeft niet op de centimeter nauwkeurig te zijn. De spreker deelt de ruimte vanuit het gesprek in. Een document op het scherm van de ander kan bijvoorbeeld bij de sfeer van tēnā horen, ook als beide gesprekspartners op afstand met elkaar praten.

Aanwijzende woorden vóór een zelfstandig naamwoord

Zet tēnei, tēnā of tērā direct vóór een enkelvoudig zelfstandig naamwoord:

  • tēnei pukapuka — dit boek hier bij mij
  • tēnā pukapuka — dat boek bij jou
  • tērā pukapuka — dat boek daar verderop

Gebruik voor meerdere zaken ēnei, ēnā en ērā:

  • ēnei pukapuka — deze boeken hier bij mij
  • ēnā pukapuka — die boeken bij jou
  • ērā pukapuka — die boeken daar verderop

Voeg hier niet ook te of ngā aan toe. Waar het Nederlands dit boek en deze boeken heeft, staat in het Māori dus eenvoudig tēnei pukapuka en ēnei pukapuka. Het zelfstandig naamwoord zelf verandert niet voor het meervoud; het eerste woord laat het verschil zien.

De aanwijzende woorden kunnen ook zelfstandig staan, dus zonder genoemd zelfstandig naamwoord:

  • He aha tēnei? — Wat is dit?
  • Ko tēnā tāku. — Dat bij jou is van mij.
  • He whare tērā. — Dat daar is een huis.

De precieze zinsbouw hangt af van het soort mededeling. Voor de basis is vooral belangrijk dat tēnei, tēnā en tērā zowel ‘dit/dat’ als ‘deze/die’ kunnen weergeven. Het Māori maakt hier niet het Nederlandse verschil tussen een het-woord (dit boek) en een de-woord (deze stoel).

Plaatswoorden met kei, i en ki

Konei, konā en korā noemen een plaats. Meestal staat er een plaatsmarkeerder voor die aangeeft hoe die plek in de zin werkt:

Patroon Betekenis Voorbeeld
kei + plaats bevindt zich nu op die plaats Kei konei te pukapuka. — Het boek is hier.
i + plaats bevond zich op die plaats I konā te pukapuka. — Het boek was daar bij jou.
ki + plaats beweging naar die plaats Haere ki korā. — Ga daarheen, verderop.

Bij noho kan ki een verblijfplaats markeren, zoals in noho ki konā. Leer daarom eerst de veelvoorkomende combinaties als geheel: kei konei ‘is hier’ en ki konei ‘naar hier’. Vertaal het Nederlandse hier niet automatisch met alleen konei zonder naar de functie in de zin te kijken.

Vergelijk ook een aanwijzing met een plaats:

  • Kei tēnei whare ia. — Hij of zij is in dit huis.
  • Kei konei ia. — Hij of zij is hier.

In de eerste zin hoort tēnei bij whare. In de tweede zin verwijst konei rechtstreeks naar de plek.

Bewegingsrichting: mai en atu

Mai en atu staan gewoonlijk na een werkwoord. Het zijn richtingsdeeltjes: korte woorden die laten zien in welke richting de handeling zich beweegt.

Richting Patroon Betekenis
naar de spreker of het gekozen middelpunt toe werkwoord + mai hierheen, deze kant op
van de spreker of het gekozen middelpunt af werkwoord + atu daarheen, weg, die kant op

Daarom betekent haere mai meestal ‘kom’ of ‘kom hierheen’, terwijl haere atu ‘ga weg’ of ‘ga die kant op’ betekent. Het werkwoord haere zelf drukt verplaatsing uit; mai en atu geven het standpunt aan.

  • Haere mai ki konei. — Kom hierheen.
  • Haere atu ki konā. — Ga daarheen, naar de plek bij jou.
  • E haere atu ana ia. — Hij of zij gaat weg.

De richting kan ook bij andere handelingen horen:

  • Titiro mai. — Kijk hierheen / kijk naar mij.
  • Kōrero mai. — Spreek tegen mij / vertel het mij.
  • Tuku atu te karere. — Stuur het bericht door of van hier weg.

In enkele zeer gewone overdrachtswerkwoorden is het richtingsdeel vast aan het werkwoord geschreven. Homai betekent iets in de richting van de spreker geven; hoatu betekent iets van de spreker af geven:

  • Homai te kapu. — Geef de beker aan mij / hierheen.
  • Hoatu te kapu ki a Mere. — Geef de beker aan Mere.

Kijk dus niet alleen naar de Nederlandse werkwoorden komen, gaan of geven. Vraag steeds: beweegt de handeling naar het gekozen standpunt toe of ervan af?

Voorbeelden in context

Māori Nederlands Toelichting
He aha tēnei? Wat is dit? Tēnei staat zelfstandig en is bij de spreker.
Ko tēnei taku kapu. Dit is mijn beker. Eén voorwerp dichtbij de spreker.
He pai tēnā whakaaro. Dat idee van jou is goed. Tēnā plaatst het idee bij de aangesprokene.
He whare nui tērā. Dat daar is een groot huis. Het huis is van beide gesprekspartners verwijderd.
Kei te pai ēnei tūru. Deze stoelen zijn goed. Meervoud dichtbij de spreker.
Māu ēnā pukapuka. Die boeken bij jou zijn voor jou. Meervoud in de sfeer van de aangesprokene.
Kei hea ērā tamariki? Waar zijn die kinderen daar? Meervoud op afstand.
Kei konei āku kī. Mijn sleutels zijn hier. Kei markeert een huidige plaats.
Kei konā tō waea? Is je telefoon daar bij jou? De bedoelde plek is bij de aangesprokene.
Kei korā te maunga. De berg is daar in de verte. Een plaats ver van beiden.
Haere mai ki konei. Kom hierheen. Mai en konei wijzen beide naar de spreker.
Haere atu ki konā. Ga daarheen, naar jouw kant. Beweging van de spreker af.
E haere atu ana ia. Hij of zij gaat weg. Atu staat binnen e ... ana na het werkwoord.
Homai tērā pukapuka. Geef me dat boek daar. Het boek is ver weg; het geven gaat naar de spreker toe.
Hoatu tēnei pukapuka ki a Mere. Geef dit boek aan Mere. Het boek vertrekt vanuit de sfeer van de spreker.

Let bij de vertalingen op dat Nederlands vaak alleen daar of dat gebruikt. De Māori-zin bevat meer informatie over het perspectief. Een goede vertaling hoeft niet elk stukje met een apart Nederlands woord weer te geven, maar bij het zelf spreken moet je dat perspectief wel kiezen.

Veelgemaakte fouten

1. Te of ngā vóór een aanwijzend woord zetten

  • Niet: te tēnei pukapuka
  • Wel: tēnei pukapuka
  • Waarom: Tēnei bepaalt het zelfstandig naamwoord al. Het neemt hier de plaats van te in; twee bepalers zijn niet nodig.

2. De enkelvoudsvorm voor meerdere zaken gebruiken

  • Niet: tēnei pukapuka als je naar meerdere boeken wijst
  • Wel: ēnei pukapuka
  • Waarom: Tēnei/tēnā/tērā zijn enkelvoudig; ēnei/ēnā/ērā zijn meervoudig. Het woord pukapuka blijft zelf gelijk.

3. Tēnā behandelen als een algemeen woord voor ‘dat’

  • Niet passend: tēnā whare voor een huis ver achter beide gesprekspartners
  • Wel: tērā whare
  • Waarom: Tēnā hoort bij iets in de buurt of sfeer van de aangesprokene. Voor iets op afstand van beiden kies je tērā.

4. Konei en tēnei verwisselen

  • Niet: Kei tēnei te pukapuka als je alleen ‘Het boek is hier’ bedoelt
  • Wel: Kei konei te pukapuka.
  • Waarom: Tēnei wijst een zaak aan of hoort bij een zelfstandig naamwoord; konei noemt een plaats. Kei tēnei whare te pukapuka kan wel: ‘Het boek is in dit huis.’

5. De Nederlandse richting volgen in plaats van het Māori-standpunt

  • Niet passend: Haere mai! tegen iemand die juist van jou weg moet gaan
  • Wel: Haere atu!
  • Waarom: Mai beweegt naar het middelpunt toe; atu beweegt ervan af. Het gekozen werkwoord alleen is niet genoeg om de richting vast te leggen.

6. De lange klinkers weglaten

  • Niet: tena, tera, ena, era
  • Wel: tēnā, tērā, ēnā, ērā
  • Waarom: Het streepje boven een klinker heet een tohutō en geeft een lange klinker aan. Het hoort bij de spelling en uitspraak. Zonder die tekens wordt de vorm onzorgvuldig of kan een ander woord ontstaan.

Gebruiksnotities

Afstand is ook gespreksperspectief

De drie zones zijn geen vaste meetkundige afstanden. Iets wat de aangesprokene vasthoudt, nodigt sterk uit tot tēnā, ook als de spreker er vlak naast staat. Iets dat de spreker als ‘hier bij mij’ presenteert, krijgt tēnei. In een echt gesprek helpen blikrichting, gebaar en gedeelde kennis om de bedoelde zone duidelijk te maken.

Dit verklaart waarom één Nederlandse zin verschillende Māori-versies kan hebben. ‘Pak dat boek’ kan Tangohia tēnā pukapuka zijn als het boek bij de ander ligt, maar Tangohia tērā pukapuka als het verderop ligt. Er bestaat geen veilige één-op-éénlijst waarin dat altijd dezelfde vorm krijgt.

Tēnā in begroetingen

Je kent tēnā mogelijk al uit Tēnā koe, een begroeting voor één persoon. Probeer die vaste uitdrukking niet letterlijk als ‘dat jij’ te ontleden. De vorm maakt deel uit van een gebruikelijke begroetingsformule. Als aanwijzend woord blijft tēnā daarnaast gewoon ‘dat/die bij jou’ betekenen.

Mai en atu geven meer dan een route aan

Bij spreken, kijken, sturen en geven kan de ‘beweging’ overdracht van aandacht, woorden of een voorwerp zijn. Kōrero mai richt woorden naar de spreker; tuku atu stuurt iets verder van het huidige standpunt af. Daardoor vertaal je mai of atu niet altijd met een los Nederlands woord. Hun bijdrage blijft wel aanwezig in de gekozen richting.

Verder dan de basis

De volgende bijzonderheden hoef je op A2 nog niet actief te beheersen, maar je zult ze later geregeld tegenkomen.

Nei, nā en rā achter een naamwoordgroep

Hetzelfde driedelige onderscheid kan ook worden uitgedrukt met nei, nā en rā ná een naamwoordgroep (een groep woorden rond een zelfstandig naamwoord):

Uitgebreid patroon Gebruikelijke kortere vorm Betekenis
te pukapuka nei tēnei pukapuka dit boek hier
te pukapuka nā tēnā pukapuka dat boek bij jou
te pukapuka rā tērā pukapuka dat boek daar
ngā pukapuka nei ēnei pukapuka deze boeken hier
ngā pukapuka nā ēnā pukapuka die boeken bij jou
ngā pukapuka rā ērā pukapuka die boeken daar

Deze langere patronen maken zichtbaar waarom je in de basisvorm niet nog eens te of ngā toevoegt: tēnei en ēnei functioneren al als volledige aanwijzende bepalers. In langere teksten kunnen nei, nā en rā bovendien verwijzen naar iets dat in het gesprek of de tekst als dichtbij of verder weg wordt voorgesteld, niet uitsluitend naar fysieke afstand.

Het middelpunt kan met het verhaal meeschuiven

In eenvoudige opdrachten is de spreker het middelpunt van mai en atu. In verhalen of beschrijvingen kan de verteller het standpunt bij een genoemde persoon of plaats leggen. Mai betekent dan ‘naar dat gekozen middelpunt toe’ en atu ‘ervandaan’. Let bij lezen daarom op vanuit wiens positie de beweging wordt bekeken.

Vaste combinaties krijgen een ruimere betekenis

Atu komt later ook voor in combinaties waarin de letterlijke richting minder sterk is. Zo betekent ētahi atu ‘enkele andere’ of ‘nog andere’, en kan nui atu ‘groter’ of ‘meer’ betekenen. Dat zijn uitbreidingen van het idee ‘verder’. Behandel ze als herkenbare combinaties en probeer niet elke keer een letterlijk ‘weg van mij’ in de vertaling te stoppen.

Oefentips

  1. Maak een driehoek op tafel. Leg één voorwerp bij jezelf, één bij je oefenpartner en één verder weg. Benoem ze achtereenvolgens met tēnei/tēnā/tērā en daarna in het meervoud met ēnei/ēnā/ērā. Zo leer je het perspectief in plaats van alleen een Nederlandse vertaling.
  2. Oefen plaats en beweging apart. Zeg eerst waar iets is: Kei konei te kapu. Verplaats het daarna en beschrijf de richting: Hoatu te kapu of Homai te kapu. Het contrast tussen toestand en beweging wordt zo concreet.
  3. Stel bij elke Nederlandse zin twee vragen. Gaat het om een zaak of een plaats? En ligt die bij mij, bij jou of verder weg? Pas daarna kies je tussen bijvoorbeeld tēnei, konā en tērā.

Verwante onderwerpen

Vereiste kennis

Te en ngā in het MāoriA1

Meer A2-concepten