C1

Complexe betrekkelijke constructies in het Swahili

Sentensi Rejeshi Changamano

Dit artikel maakt deel uit van de grammaticaboom voor Swahili op Settemila Lingue.

In het kort

In het Swahili zit een betekenis als “die”, “dat”, “wat” of “waar” vaak als een element in de werkwoordsvorm: mtu niliyemwona is “de persoon die ik zag” en mahali ninapokaa is “de plek waar ik woon”. In complexere zinnen kun je zulke vormen nesten, ontkennen met vormen als asiye- en kisicho-, of de duidelijkere amba--constructie gebruiken: ambaye, ambacho, ambayo enzovoort. De gekozen relatieve markeerder moet steeds overeenkomen met de naamwoordklasse van datgene waarnaar hij verwijst.

Overzicht

Een betrekkelijke bijzin is een zinsdeel dat meer informatie geeft over een persoon, zaak of plaats: in “de collega die gisteren belde” vertelt het vetgedrukte deel om welke collega het gaat. Het woord waarnaar zo’n bijzin terugverwijst heet het antecedent (simpel gezegd: het eerder genoemde woord). In het Nederlands gebruiken we vooral losse woorden als “die”, “dat”, “wie”, “wat” en “waar”. Swahili verwerkt die verwijzing vaak in het werkwoord of gebruikt een vorm met amba-.

Op B1-niveau leer je basisvormen zoals mtu aliyekuja (“de persoon die kwam”) en kitabu nilichosoma (“het boek dat ik las”). Op C1-niveau moet je dezelfde bouwstenen ook in langere zinnen kunnen volgen: een bijzin kan zelf weer een betrekkelijke bijzin bevatten, een relatieve vorm kan ontkennend zijn, en de verwijzing kan een manier of plaats uitdrukken in plaats van een concreet zelfstandig naamwoord (een woord voor een persoon, zaak, dier of begrip).

Dat is vooral belangrijk in nieuws, essays, verslagen en formele gesprekken. Lange Swahili-zinnen worden niet duidelijker door elk Nederlands “die” of “dat” letterlijk te vertalen. Je moet bij iedere verwijzing opnieuw vaststellen: waar slaat deze vorm op, welke naamwoordklasse heeft dat woord, en welke rol speelt de bijzin?

Hoe het werkt

1. De basis: relatieve overeenstemming

De relatieve markeerder komt overeen met de naamwoordklasse van het antecedent. De onderstaande vormen zijn de belangrijkste voor complexe constructies.

Klasse en typisch antecedent Ingebouwde markeerder Vorm met amba- Ontkennende vorm Globale Nederlandse betekenis
1: mtu, één persoon -ye- ambaye asiye- die/wie (niet)
2: watu, personen -o- ambao wasio- die/wie (niet)
3/11: onder meer mti, uzi -o- ambao usio- die/dat (niet)
4/9: onder meer miti, nyumba enkelvoud -yo- ambayo isiyo- die/dat (niet)
5: onder meer jambo -lo- ambalo lisilo- die/dat (niet)
6: onder meer mambo -yo- ambayo yasiyo- die/dat (niet)
7: onder meer kitabu -cho- ambacho kisicho- dat/wat (niet)
8: onder meer vitabu -vyo- ambavyo visivyo- die/wat (niet)
10: nyumba meervoud, onder meer -zo- ambazo zisizo- die/dat (niet)
plaats, klasse 16 -po- ambapo pasipo- waar/op de plek waar
plaats, klasse 17 -ko- ambako kusiko- waar/waarheen
plaats, klasse 18 -mo- ambamo msimo- waarin/binnenin

Bij sommige klassen lijkt de vorm hetzelfde, maar dat betekent niet dat de naamwoordklasse onbelangrijk wordt. Andere woorden in de zin blijven immers ook overeenstemmen: jambo ambalo ni muhimu (“een zaak die belangrijk is”) heeft bijvoorbeeld ambalo en elders vaak klasse-5-overeenstemming.

2. De relatieve markeerder in het werkwoord

Bij een bevestigende werkwoordsvorm met een expliciete tijd of aspect staat de relatieve markeerder gewoonlijk na de tijdsmarkeerder:

onderwerpsmarkeerder + tijd/aspect + relatieve markeerder + eventuele objectmarkeerder + werkwoordstam

  • ni-li-ye-mw-onaniliyemwona: “die ik zag” (verwijzing naar één persoon)
  • wa-na-o-somawanaosoma: “die studeren” (verwijzing naar meerdere personen)
  • ki-li-cho-pikwakilichopikwa: “dat gekookt werd” (verwijzing naar een klasse-7-woord)
  • a-li-vyo-jibualivyojibu: “zoals hij/zij antwoordde; de manier waarop hij/zij antwoordde”

De onderwerpsmarkeerder toont wie de handeling uitvoert; de relatieve markeerder verwijst naar het antecedent. In kitabu nilichosoma is ni- dus “ik”, terwijl -cho- terugwijst naar kitabu. Dat onderscheid is voor Nederlandstaligen even wennen: het Nederlandse “dat” is een los woord, maar in nilichosoma zit dezelfde functie midden in de werkwoordsvorm.

3. De constructie met amba-

Amba- krijgt een uitgang die bij de naamwoordklasse past. Daarna volgt normaal een gewone vervoegde werkwoordsvorm:

  • mtu ambaye nilimwona — de persoon die ik zag
  • kitabu ambacho hakikusomwa — het boek dat niet werd gelezen
  • mambo ambayo hatuyaelewi — de zaken die we niet begrijpen
  • nyumba ambazo walizinunua — de huizen die zij kochten

Deze constructie maakt de grens van een lange bijzin zichtbaar. Ze is daarom nuttig wanneer er veel materiaal tussen antecedent en werkwoord staat, wanneer meerdere verwijzingen naast elkaar staan of wanneer de schrijver dubbelzinnigheid wil vermijden. In een korte dagelijkse zin is de ingebouwde vorm vaak bondiger: kitabu nilichosoma in plaats van kitabu ambacho nilisoma.

Markeer dezelfde relatie niet gedachteloos twee keer. Bij één eenvoudige relatie zeg je kitabu ambacho nilisoma of kitabu nilichosoma, niet automatisch kitabu ambacho nilichosoma. In werkelijk geneste zinnen kunnen natuurlijk wel verscheidene relatieve vormen voorkomen, maar elke vorm moet dan een herkenbare functie hebben.

4. Ontkennende relatieve vormen

Een compacte ontkennende relatieve vorm bevat -si- en de passende relatieve markeerder:

Bevestigend Ontkennend Betekenis
anayekuja asiyekuja die komt / die niet komt
wanaosoma wasiosoma die studeren / die niet studeren
kinachosomwa kisichosomwa dat gelezen wordt / dat niet gelezen wordt
yanayoandikwa yasiyoandikwa die geschreven worden / die niet geschreven worden
zinazotumika zisizotumika die gebruikt worden / die niet gebruikt worden

Deze compacte ontkenning noemt op zichzelf doorgaans geen specifieke tijd. De context geeft dan aan of het om een algemene, huidige of relevante toestand gaat: watu wasiofanya kazi kan, afhankelijk van de situatie, “mensen die niet werken” of “mensen zonder werk” betekenen. Met kuwa kun je een toestand uitdrukken: asiyekuwa hapa betekent “die niet hier is/was”, waarbij de precieze tijd uit de omliggende zin moet blijken.

Wil je tijd of aspect heel duidelijk aangeven, dan is amba- met een gewone ontkennende persoonsvorm vaak overzichtelijker:

  • ambaye hakufika — die niet aankwam
  • ambaye hajafika — die nog niet is aangekomen
  • ambaye hatakuja — die niet zal komen
  • ambacho hakikusomwa — dat niet werd gelezen

Het verschil is dus niet alleen stijl. Asiyekuja typeert iemand compact als “iemand die niet komt”, terwijl ambaye hakufika jana een duidelijk afgebakende gebeurtenis in het verleden noemt.

5. Geneste betrekkelijke bijzinnen

Bij nesting staat binnen één betrekkelijke bijzin nog een andere bijzin. Werk van buiten naar binnen:

Mwandishi [ambaye [kitabu alichoandika] kilishinda tuzo] amefika.

“De schrijver [van wie [het boek dat hij/zij schreef] een prijs won] is aangekomen.”

De buitenste vorm ambaye verwijst naar mwandishi (klasse 1). De binnenste vorm alichoandika bevat -cho-, want die verwijst naar kitabu (klasse 7). Het werkwoord kilishinda heeft eveneens klasse-7-overeenstemming omdat kitabu daarvan het onderwerp is.

Een lange voorbeeldzin als Mtu ambaye niliyemwona asiyekuwa hapa ni daktari stapelt meerdere verwijzingen naar dezelfde persoon: “De persoon die ik zag, die niet hier was, is arts.” Zo’n opeenstapeling is grammaticaal zwaar en zonder context niet ideaal. In gewone communicatie is Mtu niliyemwona, ambaye hakuwa hapa, ni daktari vaak makkelijker te volgen wanneer “niet hier zijn” als extra toelichting is bedoeld. Komma’s helpen de lezer, maar de grammaticale overeenstemming blijft doorslaggevend.

6. Manier: -vyo- en jinsi

Met -vyo- kan een werkwoord verwijzen naar de manier waarop iets gebeurt. Vaak staat er jinsi (“manier, wijze”) bij:

  • Jinsi anavyosema ni nzuri. — De manier waarop hij/zij spreekt, is goed.
  • Sikupenda jinsi walivyotujibu. — Ik vond de manier waarop zij ons antwoordden niet prettig.
  • Alivyoeleza tatizo kulinisaidia. — Hoe hij/zij het probleem uitlegde, hielp mij.

Vertaal -vyo- niet altijd met één vast Nederlands woord. Afhankelijk van de zin past “zoals”, “hoe” of “de manier waarop”. In vergelijkingen verschijnt dezelfde vorm ook na kama: Fanya kama nilivyokuonyesha (“Doe het zoals ik het je heb laten zien”).

7. Plaats: -po-, -ko- en -mo-

Plaatselijke relatieve markeerders maken een los Nederlands woord als “waar” vaak overbodig:

  • mahali ninapokaa — de plek waar ik verblijf
  • mahali ninakokwenda — de plek waar ik heen ga
  • chumba anamoishi — de kamer waarin hij/zij woont

Als bruikbare vuistregel wijst -po- naar een bepaalde plek, -ko- algemener naar locatie of richting, en -mo- naar binnenin. In werkelijk taalgebruik overlappen de mogelijkheden soms; leer daarom complete combinaties uit betrouwbare teksten. Let ook op de overeenkomst in de hoofdzin: Mahali ninapokaa ni pazuri gebruikt pa- in pazuri.

Voorbeelden in context

Swahili Nederlands Toelichting
Mtu ambaye niliyemwona asiyekuwa hapa ni daktari. De persoon die ik zag, die niet hier was, is arts. Zeer dichte stapeling van ambaye, -ye- en asiye-.
Kitabu ambacho hakikusomwa ni muhimu. Het boek dat niet werd gelezen, is belangrijk. Ambacho verwijst naar klasse 7; hakikusomwa is een gewone ontkennende verleden vorm.
Jinsi anavyosema ni nzuri. De manier waarop hij/zij spreekt, is goed. -vyo- drukt de manier uit.
Mahali ninapokaa ni pazuri. De plek waar ik woon, is mooi. -po- verwijst naar de plek; pa- keert terug in pazuri.
Wafanyakazi wasiohudhuria mkutano watapokea muhtasari. De werknemers die de vergadering niet bijwonen, krijgen een samenvatting. Compacte ontkennende relatieve vorm voor personen in het meervoud.
Maswali yasiyojibiwa yatajadiliwa kesho. De vragen die niet beantwoord zijn, worden morgen besproken. Yasiyo- past bij maswali, klasse 6.
Mwandishi ambaye kitabu alichoandika kilishinda tuzo amefika. De schrijver van wie het boek dat hij/zij schreef een prijs won, is aangekomen. Een binnenste relatieve bijzin met -cho- binnen een grotere constructie.
Ripoti ambayo haijachapishwa bado ina makosa. Het rapport dat nog niet is gepubliceerd, bevat fouten. Haijachapishwa maakt “nog niet” in het perfectum expliciet.
Sikupenda jinsi walivyotujibu. Ik vond de manier waarop zij ons antwoordden niet prettig. Relatief van manier in het verleden.
Fanya kama nilivyokuonyesha. Doe het zoals ik het je heb laten zien. Kama ... -vyo- vormt een vergelijking van manier.
Mji ambako nilikulia umebadilika sana. De stad waar ik ben opgegroeid, is sterk veranderd. Ambako geeft een algemene plaatsrelatie aan.
Chumba ambamo nyaraka zinahifadhiwa kimefungwa. De kamer waarin de documenten worden bewaard, is afgesloten. Ambamo benadrukt “binnenin”; chumba bestuurt kimefungwa.
Watu ambao hawakualikwa hawataruhusiwa kuingia. Mensen die niet waren uitgenodigd, mogen niet naar binnen. Ambao plus een gewone ontkennende verleden vorm.
Alivyojibu swali hilo ilinishangaza. Hoe hij/zij die vraag beantwoordde, verbaasde mij. De hele manier-bijzin functioneert als onderwerp.

Veelgemaakte fouten

1. De uitgang van amba- niet laten overeenkomen

  • Onjuist: kitabu ambayo hakikusomwa
  • Juist: kitabu ambacho hakikusomwa
  • Waarom: Kitabu behoort tot klasse 7 en vereist daarom ambacho, niet ambayo. Laat je niet leiden door Nederlands “het boek dat”: Swahili volgt naamwoordklassen, niet de Nederlandse keuze tussen “die” en “dat”.

2. Een gewone ontkenning en een compacte relatieve ontkenning vermengen

  • Onjuist: mtu hasi-yekuja
  • Juist: mtu asiyekuja of mtu ambaye haji
  • Waarom: Asiyekuja is één geïntegreerde relatieve vorm. Met ambaye gebruik je daarna een gewone persoonsvorm, hier haji.

3. Een specifieke verleden tijd uitdrukken met een tijdloze vorm

  • Minder duidelijk: watu wasiokuja jana
  • Duidelijker: watu ambao hawakuja jana
  • Waarom: Jana vraagt om een duidelijk verleden kader. Hawakuja bevat de verleden ontkenning; wasio- typeert eerder algemeen welke mensen niet komen of niet deelnemen.

4. De verkeerde markeerder volgen in een geneste zin

  • Onjuist: Mwandishi ambaye kitabu aliyoandika kilishinda tuzo...
  • Juist: Mwandishi ambaye kitabu alichoandika kilishinda tuzo...
  • Waarom: Aliandika heeft een mens als onderwerp, maar de relatieve markeerder verwijst naar kitabu, klasse 7. Daarom is het -cho-. Vraag niet alleen “wie doet het?”, maar ook “naar welk woord verwijst ‘dat’?”

5. Nederlands “waar” als één onveranderlijke Swahili-vorm behandelen

  • Onhandig: overal alleen ambapo gebruiken
  • Beter: mahali ninapokaa, mji ambako ninaenda, chumba ambamo wanafanya kazi
  • Waarom: Swahili kan onderscheid maken tussen een bepaalde plek (-po-), algemenere locatie of richting (-ko-) en binnenruimte (-mo-). De context bepaalt welk onderscheid nuttig is.

6. De hoofdzin vergeten tijdens een lange bijzin

  • Onjuist: Kitabu ambacho nilinunua jana walikuwa ghali.
  • Juist: Kitabu ambacho nilinunua jana kilikuwa ghali.
  • Waarom: Na de lange bijzin blijft kitabu het onderwerp van kilikuwa. De klasse-7-markering ki- is dus nodig. In het Nederlands is die overeenkomst nauwelijks zichtbaar; in het Swahili moet je haar actief blijven volgen.

Gebruiksnotities

De ingebouwde relatieve vorm is compact en zeer gewoon: watu wanaofanya kazi, kitabu nilichonunua, mahali tulipokutana. Amba- is niet automatisch “beter” of “formeler”, maar maakt een ingewikkelde structuur wel zichtbaarder. Daardoor komt hij vaak goed van pas in journalistieke, ambtelijke en academische teksten. Een alinea vol ambaye, ambalo en ambayo kan echter zwaar worden; goede schrijvers wisselen af en splitsen een overvolle zin zo nodig op.

Nederlandse komma’s geven soms het verschil aan tussen noodzakelijke identificatie en extra informatie: “de studenten die slaagden” tegenover “de studenten, die slaagden”. Swahili kan hetzelfde betekenisverschil uit context, intonatie en zinsbouw laten blijken, maar leestekens alleen lossen dubbelzinnigheid niet op. Als een bijzin slechts een toelichting is, kan een nieuwe zin of een duidelijke amba--constructie natuurlijker zijn.

Let bij vertalen ook op Nederlandse voorzetsels. “De organisatie waarvoor ik werk”, “de kamer waarin hij zit” en “de dag waarop het gebeurde” bevatten alle drie “waar-”, maar vragen in Swahili niet om één identieke oplossing. Soms volstaat een plaatsrelatief, soms hoort er een voorzetsel of omschrijving bij. Vertaal dus de relatie en niet alleen het Nederlandse verwijswoord.

Verder dan de basis

Hoofdloze relatieve vormen

Een relatieve vorm kan zelfstandig functioneren zonder uitgesproken antecedent. Asiyesoma hatafaulu betekent “Wie niet studeert, zal niet slagen”; letterlijk staat er geen apart woord voor “wie”. Ook yasiyoonekana kan in de juiste context “de dingen die niet zichtbaar zijn” betekenen. Zulke vormen zijn krachtig in spreekwoorden, algemene uitspraken en compacte formele stijl.

Relatief en passief tegelijk

De relatieve markeerder en het passief hebben verschillende taken en kunnen dus samen voorkomen:

  • chakula kilichopikwa — het eten dat werd gekookt
  • sheria zisizotekelezwa — wetten die niet worden uitgevoerd
  • barua ambazo hazikutumwa — brieven die niet werden verstuurd

Eerst bepaal je waarnaar de relatieve vorm verwijst; daarna kijk je of dat woord de handeling uitvoert of ondergaat. Het passief laat zien dat het de handeling ondergaat.

Informatie over meerdere niveaus verdelen

Een grammaticaal mogelijke zin is niet altijd een goede zin. Als drie vormen naar dezelfde persoon verwijzen, kan splitsen helderder zijn:

  • Dicht: Mtu niliyemwona ambaye hakunisalimia alipiga simu baadaye.
  • Helderder in context: Nilimwona mtu fulani, lakini hakunisalimia. Mtu huyo alipiga simu baadaye.

Op C1-niveau gaat beheersing daarom niet alleen over lange vormen kunnen bouwen. Je moet ook kunnen kiezen wanneer een compacte relatieve vorm elegant is, wanneer amba- de lezer helpt en wanneer twee zinnen beter zijn dan één.

Oefentips

  1. Markeer drie dingen in elke lange zin. Onderstreep het antecedent, omcirkel de relatieve markeerder en noteer de naamwoordklasse. Doe dit bijvoorbeeld met mwandishi — ambaye — klasse 1 en kitabu — -cho- — klasse 7.
  2. Maak drietallen met dezelfde inhoud. Oefen bijvoorbeeld mtu anayekuja, mtu asiyekuja en mtu ambaye hajafika. Zo voel je het verschil tussen bevestiging, algemene ontkenning en expliciete tijd/aspect.
  3. Vertaal “waar” niet meteen. Schrijf eerst op of je “op die plek”, “waarheen” of “binnenin” bedoelt. Kies daarna bewust tussen -po-, -ko- en -mo-.
  4. Lees lange zinnen van buiten naar binnen. Zoek eerst het hoofdonderwerp en hoofdwerkwoord. Analyseer pas daarna elke ingebedde bijzin. Dat voorkomt dat je bij de dichtstbijzijnde naamwoordklasse blijft hangen.

Verwante onderwerpen

Vereiste kennis

Betrekkelijke bijzinnen in het SwahiliB1

Meer C1-concepten

Dit concept in andere talen

Vergelijk in alle talen

Oefen Sentensi Rejeshi Changamano in Swahili met een gratis Settemila Lingue-account. We stellen Swahili · C1 voor je in en genereren kaarten voor precies dit grammaticaconcept.

Dit concept oefenen