A1

Voorzetsels in het Hebreeuws

מילות יחס

Dit artikel maakt deel uit van de grammaticaboom voor Hebreeuws op Settemila Lingue.

Kort gezegd

In het Hebreeuws schrijf je de veelgebruikte voorzetsels ב־ ‘in/bij’, ל־ ‘naar/voor’ en מ־ ‘van/uit’ vast aan het woord erna: בבית, לבית הספר, מישראל. על ‘op/over’ en עם ‘met’ staan los. את heeft geen directe Nederlandse vertaling: het markeert een bepaald lijdend voorwerp, zoals in אני רואה את הילד ‘ik zie de jongen’.

Overzicht

Een voorzetsel legt een verband tussen woorden: het kan bijvoorbeeld een plaats, richting, herkomst, onderwerp of gezelschap aangeven. In het Nederlands gebruiken we daarvoor losse woorden als ‘in’, ‘naar’, ‘uit’, ‘op’, ‘over’ en ‘met’. Het Hebreeuws doet dat deels met losse woorden, maar ook met korte voorvoegsels die aan een zelfstandig naamwoord (een woord voor een persoon, zaak of plaats) worden vastgeschreven.

Dit is basisstof van niveau A1. Met slechts enkele vormen kun je al vertellen waar je bent, waar je heen gaat, waar je vandaan komt en met wie je iets doet. Toch kun je Nederlandse voorzetsels niet woord voor woord omzetten. Nederlands zegt bijvoorbeeld ‘op maandag’, maar Hebreeuws gebruikt ביום שני, letterlijk met ב־. Bij werkwoorden moet je daarom vaak de hele combinatie leren.

Bijzonder is את. Dit woord geeft aan dat erna een bepaald lijdend voorwerp komt: de concrete persoon of zaak die de handeling ondergaat. Nederlands heeft daar geen apart woord voor. In ‘ik zie de jongen’ is ‘de jongen’ het lijdend voorwerp; in het Hebreeuws staat er daarom את הילד.

Hoe het werkt

Vast of los geschreven

De drie korte basisvormen ב־, ל־ en מ־ worden aan het volgende woord gehecht. Het streepje wordt in uitleg gebruikt om te laten zien dat de vorm niet zelfstandig staat; in een gewone Hebreeuwse zin schrijf je het niet.

Vorm Veelvoorkomende betekenis Voorbeeld Nederlandse betekenis
ב־ in, bij, op בעיר in de stad / in een stad
ל־ naar, aan, voor לדנה naar, aan of voor Dana
מ־ van, uit, vanaf מהבית uit het huis, van huis
על op, over על השולחן op de tafel
עם met, samen met עם חברים met vrienden
את markering van een bepaald lijdend voorwerp את הספר het boek, als lijdend voorwerp

Een spatie na ב, ל of מ is dus normaal gesproken fout: בבית, niet ב בית. על, עם en את krijgen juist wel een spatie voor het volgende woord.

ב־: plaats en tijd

ב־ geeft vaak aan waar iets of iemand zich bevindt. Afhankelijk van de Nederlandse uitdrukking vertaal je het met ‘in’, ‘bij’ of ‘op’:

  • בבית — in huis, thuis
  • בעבודה — op het werk
  • בתל אביב — in Tel Aviv
  • ביום ראשון — op zondag
  • בלילה — ’s nachts, in de nacht

Dat één Hebreeuwse vorm meerdere Nederlandse voorzetsels dekt, is normaal. Kies dus niet eerst een Nederlands voorzetsel om dat daarna mechanisch te vertalen; leer de Hebreeuwse combinatie als geheel.

ב־ kan ook een middel aangeven. Waar Nederlands ‘met’ zegt in ‘met een pen schrijven’, gebruikt Hebreeuws gewoonlijk ב־: לכתוב בעט ‘met een pen schrijven’. עם is vooral ‘met’ in de betekenis ‘samen met’.

ל־: richting, ontvanger en doel

ל־ wijst vaak naar een bestemming of ontvanger:

  • לירושלים — naar Jeruzalem
  • לבית הספר — naar school
  • לדנה — naar/aan Dana
  • לילדים — voor/aan de kinderen

Na werkwoorden kan ל־ ook horen bij de vaste verbinding die het werkwoord verlangt. להקשיב למוזיקה betekent ‘naar muziek luisteren’. Het Nederlandse ‘naar’ en het Hebreeuwse ל־ passen hier bij elkaar, maar dat is niet altijd zo. ‘Op iemand wachten’ is לחכות למישהו: het Nederlands gebruikt ‘op’, het Hebreeuws ל־.

מ־: herkomst, vertrekpunt en bron

מ־ geeft aan waar iets vandaan komt of waar een beweging begint:

  • מישראל — uit Israël
  • מהעיר — uit de stad
  • מהשולחן — van de tafel
  • מדנה — van Dana

De vorm is historisch verwant aan het losse woord מן, dat je nog in formele taal en in vaste uitdrukkingen tegenkomt. Voor dagelijkse A1-zinnen is het aangehechte מ־ het belangrijkst.

Het bepaald lidwoord na een kort voorzetsel

Het bepaald lidwoord ה־ komt overeen met Nederlands ‘de’ of ‘het’. Bij ב־ en ל־ versmelt het in de uitspraak met het voorzetsel. In een tekst zonder klinkertekens — de normale schrijfwijze van modern Hebreeuws — kan dezelfde spelling daardoor zowel bepaald als onbepaald zijn.

Onbepaald Betekenis Bepaald Betekenis
בְּבַיִת in een huis בַּבַּיִת in het huis, thuis
לְיֶלֶד naar/voor een jongen לַיֶּלֶד naar/voor de jongen
בְּסֵפֶר in een boek בַּסֵּפֶר in het boek

Zonder klinkertekens worden de paren geschreven als בבית, לילד en בספר. De context maakt dan duidelijk welke betekenis bedoeld is. Dat lijkt in het begin lastig, maar ook andere delen van een Hebreeuwse zin geven meestal voldoende informatie.

Bij מ־ blijft het lidwoord in de spelling zichtbaar: מבית ‘uit een huis’ tegenover מהבית ‘uit het huis’. De precieze klinkers en klankaanpassingen zijn nuttig voor de uitspraak, maar de beginnersregel is eenvoudiger: herken מה־ vaak als ‘uit/van de of het’.

Voorzetsels bij samengestelde naamwoorden

In בית הספר ‘de school’ staat letterlijk een verbinding van ‘huis’ en ‘het boek’. Zo’n verbinding heet een status-constructusverbinding: twee zelfstandige naamwoorden vormen samen één begrip. Alleen het tweede deel draagt hier zichtbaar het lidwoord. Het voorzetsel komt echter aan het begin van de hele groep:

  • בבית הספר — op school, in de school
  • לבית הספר — naar school
  • מבית הספר — van school, uit de school

Voeg dus niet automatisch ה־ toe aan het eerste woord: להבית הספר is fout. Hetzelfde patroon zie je in בבית הקפה ‘in het café’.

על: letterlijk ‘op’ en figuurlijk ‘over’

על staat los en heeft twee zeer frequente functies. Het duidt een plaats op een oppervlak aan, zoals in הספר על השולחן ‘het boek ligt op de tafel’. Daarnaast markeert het het onderwerp waarover iemand spreekt, leest, schrijft of denkt: אנחנו מדברים על הסרט ‘we praten over de film’.

Niet elk Nederlands ‘op’ wordt על. Bij een tijdstip gebruik je vaak ב־, zoals ביום שני ‘op maandag’. Bij een bestemming kan ל־ nodig zijn. De bedoelde relatie is belangrijker dan het Nederlandse woord.

עם: samen met

עם betekent in de eerste plaats ‘met, samen met’:

  • עם המשפחה — met de familie
  • קפה עם חלב — koffie met melk
  • אני עובד עם נועה — ik werk met Noa

Voor een werktuig of middel gebruikt het Hebreeuws echter vaak ב־. Vergelijk אני אוכל עם נועה ‘ik eet met Noa’ met אני אוכל במזלג ‘ik eet met een vork’. Het Nederlands gebruikt in beide gevallen ‘met’, maar het Hebreeuws maakt hier vaak onderscheid.

את: een markeerwoord zonder Nederlandse vertaling

את is niet zomaar het equivalent van een Nederlands voorzetsel. Het staat vóór een bepaald direct object: hetzelfde als het bepaald lijdend voorwerp, dus de specifieke persoon of zaak waarop de handeling rechtstreeks is gericht.

Soort lijdend voorwerp Hebreeuws Nederlands את?
onbepaald אני קורא ספר. Ik lees een boek. nee
met het lidwoord אני קורא את הספר. Ik lees het boek. ja
eigennaam אני רואה את דנה. Ik zie Dana. ja
met een bezitsbepaling אני מכיר את החבר שלך. Ik ken jouw vriend. ja

את verschijnt alleen als er werkelijk een lijdend voorwerp is. In הספר על השולחן ‘het boek ligt op de tafel’ is ‘het boek’ niet iets waarop een handeling wordt uitgevoerd; את hoort daar dus niet.

Voorbeelden in context

Hebreeuws Nederlands Toelichting
אני בבית. Ik ben thuis. ב־ voor een plaats
היא עובדת בתל אביב. Zij werkt in Tel Aviv. ב־ vóór een stadsnaam
אנחנו נפגשים ביום שני. We spreken maandag af. Nederlands ‘op’, Hebreeuws ב־
הוא הולך לבית הספר. Hij gaat naar school. bestemming met ל־
אני נותנת את הספר לדנה. Ik geef het boek aan Dana. את vóór het bepaalde ding; ל־ vóór de ontvanger
המתנה לילדים. Het cadeau is voor de kinderen. ל־ met de betekenis ‘voor’
הם באים מישראל. Zij komen uit Israël. herkomst met מ־
החתול יורד מהשולחן. De kat komt van de tafel af. vertrekpunt met מ־
הטלפון על המיטה. De telefoon ligt op het bed. letterlijke plaats met על
אנחנו מדברים על העבודה. We praten over het werk. gespreksonderwerp met על
אני שותה קפה עם חלב. Ik drink koffie met melk. combinatie met עם
רות נוסעת עם חברה. Ruth reist met een vriendin. gezelschap met עם
הוא כותב בעט. Hij schrijft met een pen. middel met ב־, niet met עם
אני רואה את הילד. Ik zie de jongen. bepaald lijdend voorwerp met את
היא קונה לחם. Zij koopt brood. onbepaald lijdend voorwerp, dus geen את

Veelgemaakte fouten

1. Een kort voorzetsel los schrijven

  • Fout: אני גר ב ישראל.
  • Goed: אני גר בישראל.
  • Waarom: ב־, ל־ en מ־ worden aan het volgende woord vastgeschreven. De Nederlandse gewoonte om een voorzetsel als los woord te schrijven helpt hier dus niet.

2. את vóór ieder lijdend voorwerp zetten

  • Fout: אני קורא את ספר.
  • Goed: אני קורא ספר. ‘Ik lees een boek.’
  • Ook goed: אני קורא את הספר. ‘Ik lees het boek.’
  • Waarom: את hoort vóór een bepaald lijdend voorwerp. ספר zonder lidwoord is hier onbepaald; הספר is bepaald.

3. את vergeten vóór een eigennaam

  • Fout: אני רואה דנה.
  • Goed: אני רואה את דנה.
  • Waarom: Een eigennaam verwijst naar een specifieke persoon en is daarom bepaald. Als die persoon het lijdend voorwerp is, gebruik je את.

4. Elk Nederlands ‘met’ vertalen met עם

  • Minder natuurlijk: הוא כותב עם עט.
  • Gebruikelijk: הוא כותב בעט.
  • Waarom: עם drukt vooral gezelschap of een combinatie uit. Voor een werktuig of middel gebruikt Hebreeuws vaak ב־.

5. Nederlandse vaste voorzetsels kopiëren

  • Fout: אני מחכה על האוטובוס.
  • Goed: אני מחכה לאוטובוס. ‘Ik wacht op de bus.’
  • Waarom: Een werkwoord kiest in het Hebreeuws zijn eigen voorzetsel. Leer daarom לחכות ל־ als één combinatie, ook al zegt het Nederlands ‘wachten op’.

6. Het lidwoord op de verkeerde plek in בית הספר zetten

  • Fout: אני הולך להבית הספר.
  • Goed: אני הולך לבית הספר.
  • Waarom: In de vaste verbinding בית הספר staat het lidwoord bij het tweede deel. ל־ wordt vooraan aan בית gehecht.

Gebruiksnotities

Modern Hebreeuws wordt meestal zonder klinkertekens geschreven. Daardoor kan בבית zowel ‘in een huis’ als ‘in het huis/thuis’ weergeven, terwijl de uitspraak verschilt. Probeer bij het lezen eerst de hele zin te begrijpen; voeg niet op basis van één losse spelling automatisch ‘een’ of ‘het’ toe.

Voor plaatsnamen bestaan vaste voorkeuren. Landen en steden krijgen vaak ב־ voor ‘in’ en מ־ voor ‘uit’: בהולנד, מאמסטרדם. Bij instellingen kan de natuurlijke Nederlandse vertaling afwijken: בבית הספר is gewoon ‘op school’. Een letterlijk ‘in het schoolgebouw’ is niet altijd bedoeld.

Bij werkwoorden is het voorzetsel onderdeel van het woordgebruik. Noteer dus niet alleen לדבר ‘praten’, maar ook לדבר עם ‘met iemand praten’ en לדבר על ‘over iets praten’. Zo voorkom je dat Nederlandse combinaties ongemerkt de Hebreeuwse zin bepalen.

Verder dan de basis

De volgende vormen hoef je op A1 nog niet allemaal actief te beheersen, maar je zult ze al snel tegenkomen.

Voorzetsels krijgen achtervoegsels

Veel Hebreeuwse voorzetsels combineren met een achtervoegsel dat ‘mij’, ‘jou’, ‘hem’, ‘haar’ enzovoort uitdrukt. Er staat dan geen los persoonlijk voornaamwoord na het voorzetsel:

Basis Voorbeeld met achtervoegsel Betekenis
ל־ לי, לך, לו aan/voor mij, jou, hem
ב־ בי, בך, בו in mij, jou, hem/het
מ־ ממני, ממך, ממנו van/uit mij, jou, hem
על עליי, עליך, עליו op/over mij, jou, hem
עם איתי, איתך, איתו met mij, jou, hem
את אותי, אותך, אותו mij, jou, hem als lijdend voorwerp

Sommige reeksen hebben een stam die je niet rechtstreeks uit de losse vorm kunt voorspellen: עם wordt bijvoorbeeld איתי ‘met mij’. Leer zulke vormen daarom als een patroon en niet als een eenvoudige lettertoevoeging. Ze worden uitgebreid behandeld bij de voorzetsels met persoonlijke achtervoegsels.

Voorzetsels in betrekkelijke zinnen

In een langere zin kan Hebreeuws het voorzetsel later herhalen met een persoonlijk achtervoegsel. האיש שאני מדבר איתו betekent ‘de man met wie ik praat’; letterlijk staat איתו ‘met hem’ aan het eind van het zinsdeel. Voor een Nederlandstalige voelt dat eerst dubbel, omdat ‘met wie’ in het Nederlands vooraan staat. In het Hebreeuws is dit juist een heel gewone bouw.

Betekenis hangt samen met het werkwoord

Op hoger niveau kom je veel combinaties tegen waarin een ander voorzetsel ook een andere betekenis oplevert. לחשוב על is ‘denken aan/over’, להסתכל על is ‘kijken naar’ en לטפל ב־ is ‘zorgen voor/behandelen’. De Nederlandse vertaling voorspelt het Hebreeuwse voorzetsel niet betrouwbaar. Woordenboeken geven zulke verbindingen daarom vaak bij het werkwoord zelf.

Formeel geschreven Hebreeuws kan vaker מן gebruiken waar de spreektaal een vorm met מ־ kiest. Voor beginners is herkenning voldoende; in alledaagse taal zijn vormen als מהבית en מישראל de veiligste keuze.

Oefentips

  1. Maak drie routes door je dag. Schrijf telkens waar je bent met ב־, waar je heen gaat met ל־ en waar je vandaan komt met מ־: בבית → לעבודה → מהעבודה. Zo leer je de drie vormen als één plaats-richting-herkomstsysteem.
  2. Oefen bepaalde en onbepaalde voorwerpen in paren. Vergelijk bijvoorbeeld אני קונה ספר ‘ik koop een boek’ met אני קונה את הספר ‘ik koop het boek’. Markeer את pas nadat je hebt vastgesteld dat het lijdend voorwerp bepaald is.
  3. Bewaar werkwoord en voorzetsel samen. Maak kaartjes met combinaties als לדבר עם, לדבר על, להקשיב ל־ en לחכות ל־. Zet er een volledige zin bij; een Nederlandse éénwoordvertaling is te misleidend.

Verwante onderwerpen

Vereiste kennis

Het bepaalde lidwoord in het HebreeuwsA1

Concepten die hierop voortbouwen

Meer A1-concepten

Oefen מילות יחס in Hebreeuws met een gratis Settemila Lingue-account. We stellen Hebreeuws · A1 voor je in en genereren kaarten voor precies dit grammaticaconcept.

Dit concept oefenen